Arresten Hoge Raad

Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1174

Art. 7:959 lid 1 BW alleen van toepassing op door de verzekeraar gemaakte kosten?

Eiser is in 2015 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij beschikte zowel over een rechtsbijstandsverzekering bij ARAG als een SVI-verzekering bij NH1816. Onder de voorwaarden bij de SVI-verzekering is opgenomen dat als eiser geheel of gedeeltelijk recht heeft op vergoeding krachtens een andere verzekering dat voor dat deel dan geen beroep kan worden gedaan op de SVI-verzekering. Eiser heeft eerst zijn belangen door ARAG laten behartigen en is na enige tijd overgestapt naar een andere belangenbehartiger. NH1816 heeft zich vervolgens op voornoemd artikel van de SVI-verzekering beroepen en aangegeven de buitengerechtelijke kosten niet te vergoeden nu deze kosten onder de rechtsbijstandsverzekering zouden vallen. In deze procedure geeft de Hoge Raad meer duidelijkheid over de toepassing van art. 7:959 lid 1 BW. Eiser stelt ter onderbouwing van zijn stelling dat dit redelijke kosten ter vaststelling van de schade zijn die volgens art. 7:959 lid 1 BW ten laste van de verzekeraar komen waar volgens art. 7:963 lid 3 BW niet van mag worden afgeweken. De rechtbank en het hof hebben de vordering afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat art. 7:959 lid 1 BW ziet op het vaststellen van de omvang van de door een verzekering gedekte schade. De verzekerde kan kosten die in dat verband zijn gemaakt verhalen op de verzekeraar zodat hij schadeloos wordt gesteld. Het middel dat stelt dat art. 7:959 lid 1 BW alleen geldt voor kosten die door de verzekeraar worden gemaakt faalt derhalve. Dat in art. 7:963 lid 5 BW voorgeschreven is dat de in art. 7:959 lid 1 BW genoemde bereddingskosten dwingendrechtelijk steeds ten laste van de verzekeraar komen, maakt het voorgaande volgens de Hoge Raad niet anders.

Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1454

Hof terecht leerstuk van proportionele aansprakelijkheid toegepast?

Tussen een groep cardiologen van het Ruwaard van Putten Ziekenhuis en de Inspectie voor de Gezondheidszorg is een dispuut gerezen naar aanleiding van enkele voorvallen. Op enig moment heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg een bevel opgelegd inhoudende dat de cardiologen met onmiddellijke ingang geen zorg meer mochten leveren in het ziekenhuis. Dit bevel is enkele malen verlengd. De cardiologen hebben de Staat aansprakelijk gesteld voor het voortduren van het bevel na 17 december 2012. In cassatie gaat het over het causaal verband tussen het voortduren van het bevel en de door de cardiologen geleden schade. Het hof oordeelde eerder dat het leerstuk van de kansschade zich minder goed leent voor deze kwestie aangezien het condicio sine qua non-verband ontbreekt aangezien onvoldoende duidelijk is of de cardiologen door het voortduren van het bevel schade hebben geleden. Volgens het hof neemt dat niet weg dat het ook zonder toepassing van het leerstuk van kansschade aankomt op een inschatting van de mate van waarschijnlijkheid dat de cardiologen zonder het voortduren van het bevel hun werk als cardioloog (elders) hadden kunnen voortzetten hetgeen eveneens wordt uitgedrukt in een percentage van mate van waarschijnlijkheid. Het hof acht het onwaarschijnlijk dat de cardiologen direct weer werk zouden hebben gevonden indien het bevel was geëindigd op 17 december 2012. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de cardiologen op enig moment hun werkzaamheden weer onder toezicht mochten verrichten. Aangezien het ziekenhuis uiteindelijk failliet is gegaan, acht het hof het niet reëel dat op dat moment de cardiologen het toezichttraject afgerond zouden hebben. Aan de hand van – onder andere – voornoemde factoren oordeelde het hof dat de kans gering was dat de cardiologen werk als cardioloog hadden gevonden indien het bevel geëindigd was op 17 december 2012. Ten aanzien van twee cardiologen oordeelt het hof dat de kans dat zij werk konden vinden als cardioloog 10% bedraagt. Ten aanzien van een andere cardioloog stelt het hof het percentage vast op 5%. In cassatie ligt aan de Hoge Raad de vraag voor of het hof terecht het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid heeft toegepast. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ofwel de vereiste terughoudendheid van voornoemd leerstuk heeft miskend oftewel haar oordeel om het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid toe te passen onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof heeft namelijk geen aandacht besteed aan de vraag of de vastgestelde kansen niet zeer klein waren. Daarbij heeft het hof evenmin beoordeeld waarom toepassing van proportionele aansprakelijkheid in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof.

Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1434

Omkeringsregel van toepassing bij inbraak van achterdeur die niet over antitrekbeveiliging beschikt waar dit volgens de overeenkomst wel het geval diende te zijn?

ELN heeft bij eisers nieuwe kozijnen en buitendeuren geleverd en gemonteerd. Volgens de overeenkomst waren alle deursloten voorzien van cilinders met antitrekbeveiliging. Op 20 januari 2018 heeft een inbreker in de woning van eiser ingebroken door een cilinder uit de achterdeur van het slot te trekken. De achterdeur bleek niet te beschikken over een cilinder met antitrekbeveiliging. Eiser heeft ELN voor het niet door zijn verzekeraar vergoede deel van zijn schade aansprakelijk gesteld. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. Het hof heeft de vordering afgewezen aangezien eiser onvoldoende heeft gesteld dat de inbraak niet zou hebben plaatsgevonden in de situatie dat het achterdeurslot wel was voorzien van antitrekbeveiliging. Het hof kwam dan ook niet toe aan toepassing van de omkeringsregel.  In cassatie ligt de vraag voor of het hof terecht de omkeringsregel niet van toepassing heeft verklaard. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel aangezien het hof de aangevoerde omstandigheden heeft gewogen. Aan de hand daarvan oordeelde het hof dat dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de inbraak niet zou hebben plaatsgevonden als het slot voorzien was van een cilinder met antitrekbeveiliging waardoor het causaal verband niet vaststaat. Het niet toepassen van de omkeringsregel is aldus geen onjuiste rechtsopvatting van het hof. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel.

Hoge Raad 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1445

Deskundige onrechtmatig gehandeld door nadien aangeleverde gegevens niet in definitieve rapportage te betrekken?

In een echtscheidingsprocedure is een deskundige benoemd om de aandelen van de vennootschap van de man te waarderen. Na het opstellen van de conceptrapportage heeft de ex-vrouw opmerkingen gemaakt ten aanzien van de conceptrapportage. De deskundige heeft te kennen gegeven zijn rapport niet aan te passen naar aanleiding van voormelde opmerkingen. De vrouw heeft haar bezwaren tegen het rapport aan het hof geuit, welke uiteindelijk door het hof zijn verworpen. De vrouw is van oordeel dat de deskundige jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door zijn rapport niet aan te passen naar aanleiding van haar opmerkingen. Het hof oordeelde eerder dat de wezenlijke punten in een eindbeschikking niet behoren tot de kennis en kunde van een deskundige maar tot die van het hof, waaronder de regie in een zaak, de verantwoordelijkheid voor de processuele rechtvaardigheid en een juiste beslissing over de vorderingen. In deze procedure ligt aan de Hoge Raad de vraag voor of de deskundige het rapport had moeten aanpassen naar aanleiding van de opmerkingen van de vrouw. De Hoge Raad oordeelt dat een deskundige de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam deskundige in acht moet nemen. Wat die zorgvuldigheid concreet inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval waaronder de aard en inhoud van de opdracht, de aard en ernst van de betrokken belangen en de rol van de rechter. Deze rol van de rechter heeft (onder andere) betrekking op welke vragen aan de deskundige worden voorgelegd, of het deskundigenbericht beantwoordt aan die vraagstelling en of het deskundigenbericht toereikend is voor de te nemen beslissing en de waardering van het deskundigenbericht waarbij aan de deskundige de nodige vrijheid gelaten dient te worden om het onderzoek naar eigen inzicht te verrichten. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de deskundige niet onzorgvuldig heeft gehandeld door zijn rapport niet aan te passen niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is dusdanig verweven met waarderingen van feitelijke aard waardoor het voor het overige niet door de Hoge Raad op juistheid kan worden onderzocht. Het behoorde aldus tot het domein van het hof om te bepalen of de nadere commentaren van de vrouw in de waardering van de deskundige betrokken diende te worden. De Hoge Raad wijst het cassatiemiddel af.