Arresten Gerechtshof

Gerechtshof Amsterdam 14 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:45

In dit arrest diende het hof te oordelen of het feit dat appellant in een eerder stadium bij de politierechter is vrijgesproken van mishandeling dwingend bewijs oplevert van de stelling van appellant dat hij de mishandeling niet heeft begaan. Het hof merkt op dat een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter dwingend bewijs oplevert van de in die procedure bewezenverklaarde feiten. Het hof oordeelt dat het feit dat appellant bij de politierechter is vrijgesproken van mishandeling geen bewijs oplevert van de stelling van appellant dat hij de mishandeling niet heeft gepleegd. Het is derhalve aan het slachtoffer in deze kwestie om aan te tonen dat deze mishandeling heeft plaatsgevonden.

Gerechtshof Amsterdam 20 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1221

In deze procedure is appellant toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezenverklaarde stelling dat appellant geïntimeerde heeft mishandeld ten gevolge waarvan geïntimeerde letsel heeft opgelopen. Teneinde dit tegenbewijs te kunnen leveren, heeft appellant zichzelf onder ede laten horen en heeft appellant een schriftelijke verklaring van zijn zus, de ex-partner van geïntimeerde, in het geding gebracht waarin zij aangeeft zich aan te sluiten bij de verklaring van appellant. Het hof oordeelt dat het afleggen van de getuigenverklaring van appellant onder ede, welke verklaring nagenoeg gelijk was aan het door appellant aangevoerde tijdens het pleidooi, onvoldoende is om de voorshands bewezenverklaarde stelling te ontkrachten. De gelijkluidende verklaring was namelijk ook al meegenomen in het eerdere oordeel van het hof. Het hof oordeelt dan ook dat appellant niet is geslaagd in het voorshands bewezen verklaarde te ontkrachten en derhalve vast is komen te staan dat appellant geïntimeerde heeft mishandeld ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen.

Gerechtshof Den Haag 20 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:680

Appellante is op 1 mei 2012 tijdens het uitvoeren van haar werkzaamheden in een strandtent in onbalans geraakt en heeft daardoor haar enkel verzwikt. Appellante verkeerde eerst in de veronderstelling dat deze val een gevolg was van haar schoeisel en heeft derhalve in eerste instantie de producent van haar schoenen aansprakelijk gesteld. In een later stadium is appellante op de hoogte geraakt van het feit dat deze val (mogelijk) een gevolg was van een oneffenheid in de vloer van de strandtent. Op 3 oktober 2014 heeft appellante haar werkgever aansprakelijk gesteld voor haar schade. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de vorderingen van appellante afgewezen. In deze procedure ligt aan het hof de vraag voor of haar werkgever aansprakelijk is voor de schade van appellante. De werkgever stelt zich op het standpunt dat de werkneemster haar klachtplicht heeft geschonden. De werkgever stelt dat hij ten gevolge van de late klacht van de werkneemster geen onderzoek meer heeft kunnen doen aangezien de strandtent jaarlijks wordt afgebroken. Het door de werkgever ingeroepen bewijsbelang acht het hof onvoldoende om het beroep op de klachtplicht toe te staan. Het hof merkt daarbij op dat de werkgever het arbeidsongeval had moeten melden bij de inspectie SZW waarna een onderzoek zou hebben plaatsgevonden dan wel dat de werkgever op grond van zijn verplichtingen voortvloeiende uit art. 7:658 BW zelf een onderzoek had moeten instellen naar de oorzaak van het ongeval. Indien hij dit tijdig zou hebben gedaan, was er meer duidelijkheid omtrent de vloer geweest. Het handelen van de werkgever mag volgens het hof niet in het nadeel van appellante werken aangezien dan afbreuk zou worden gedaan aan de beschermingsgedachte van art. 7:658 BW. Het hof laat de werkgever toe tot nadere bewijslevering omtrent het feit dat de vloer voldeed aan de geldende normen. Indien de werkgever niet slaagt in deze bewijslevering acht het hof het causaal verband tussen het schenden van de zorgplicht door de werkgever en de schade van appellante gegeven.

Gerechtshof Den Haag 4 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:714

Appellant, aannemer, heeft in een eerder stadium een procedure gestart bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw wegens het onbetaald blijven van enkele facturen. In het hoger beroep van deze procedure is door de wederpartij van appellant een partijdeskundige ingeschakeld. Deze partijdeskundige heeft enkele rapporten opgesteld. Appellant is van oordeel dat deze partijdeskundige jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld aangezien zijn onderzoek en rapporten ondeugdelijk zouden zijn. In deze procedure dient het hof de vraag te beantwoorden of de partijdeskundige onrechtmatig jegens appellant heeft gehandeld en of de toenmalige advocaat van appellant tekort is geschoten door appellant niet te adviseren om een eigen partijdeskundige in te schakelen om het rapport van de partijdeskundige van de wederpartij te ontkrachten. In eerste aanleg zijn de vorderingen van appellant afgewezen. Het hof stelt voorop dat er voor een partijdeskundige andere normen gelden dan een door partijen gezamenlijk ingeschakelde deskundige. Ten aanzien van de partijdeskundige geldt de maatstaf dat bezien dient te worden of deze partijdeskundige jegens appellant in strijd heeft gehandeld met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het hof oordeelt dat de partijdeskundige niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellant. De omstandigheid dat appellant kritiek heeft op de bevindingen van de partijdeskundige is daarvoor onvoldoende. Het hof kan niet vaststellen of de bevindingen van de partijdeskundige inhoudelijk onjuist zijn en al helemaal niet – zoals appellant stelt – dat de partijdeskundige bewust onjuist of onzorgvuldig heeft gerapporteerd terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij daarmee de belangen van appellant zou schaden. De vorderingen ten aanzien van de partijdeskundige worden derhalve afgewezen. Ten aanzien van de advocaat dient het hof de vraag te beantwoorden of de advocaat niet als een redelijk handelend en bekwaam vakgenoot heeft gehandeld door geen eigen partijdeskundige in te schakelen. Het hof oordeelt dat een redelijk handelend advocaat in zijn algemeenheid niet gehouden is om een eigen partijdeskundige in te schakelen indien de wederpartij een partijdeskundige inschakelt. In de gegeven omstandigheden hoefde de advocaat van appellant geen eigen deskundige in te schakelen aangezien appellant en de arbiters deskundig waren, het inschakelen van een partijdeskundige kosten met zich brengt en in eerste aanleg gebleken is dat appellant goed in staat was om technische vragen te beantwoorden. Evenmin is gebleken dat de advocaat de stukken van de wederpartij onvoldoende heeft weersproken. Het hof wijst de vorderingen van appellant ten aanzien van zijn voormalig advocaat eveneens af.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4755

Appellante heeft haar inboedel opgeslagen in een container op het terrein van geïntimeerde. Op 30 december 2016 heeft geïntimeerde aan appellante – voor het eerst – laten weten dat hij de container medio augustus 2016 leeg heeft aangetroffen. In deze procedure ligt aan het hof de vraag voor of er sprake is van huur of bewaarneming en of geïntimeerde dientengevolge aansprakelijk is voor de schade van appellante. De kantonrechter heeft in eerste aanleg de vordering van appellante afgewezen. Het hof stelt dat het voor bewaarneming essentieel is dat de bewaarnemer de feitelijke macht over de zaak kan uitoefenen. Geïntimeerde had in de gegeven omstandigheden niet de zorg over de inhoud van de container maar was daarentegen verplicht om appellante het gebruik van de container te verschaffen. Er is aldus geen sprake van bewaarneming maar van huur. Aangezien de container op het terrein van geïntimeerde stond en hij beschikte over een sleutel van het slot van de container, mocht volgens het hof van geïntimeerde verlangd worden dat hij de sleutel van het slot niet aan anderen beschikbaar stelde, hij zou ingrijpen wanneer hij vaststelde dat anderen zich toegang tot de container probeerden te verschaffen en hij appellante zou informeren over calamiteiten. Het hof oordeelt dat geïntimeerde appellante ten onrechte niet heeft ingelicht omtrent het leeghalen van de container. Het hof oordeelt dat de vordering van appellante niet louter op basis van deze tekortkoming toewijsbaar is. Dit omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellante door dit nalaten schade heeft geleden aangezien de container al was leeggehaald. De omstandigheid dat geïntimeerde appellante niet tijdig in kennis heeft gesteld van het leeghalen van de container kan mogelijk wel een rol spelen bij het bewijs van de stelling van appellante dat geïntimeerde de inhoud van de container heeft verkocht. Het hof stelt dat het mogelijk is dat geïntimeerde niets heeft meegekregen van het leeghalen van de container maar dat dit wel de nodige vragen oproept. Het leeghalen van een dergelijke container is namelijk ‘een hele operatie’. Appellante heeft verklaringen in het geding gebracht van de vermeende kopers van de inhoud van de container. Het hof stelt appellante in de gelegenheid om bewijs te leveren van haar stelling dat geïntimeerde de inhoud van de container te koop heeft aangeboden dan wel heeft verkocht.