Arresten gerechtshof – nieuwsbrief AV&V

Gerechtshof Den Haag 23 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2075

Geïntimeerde heeft in 2016 voor een bedrag ad € 360.000,- een woning gekocht. Appellante is bij deze koop als makelaar voor de verkoper opgetreden. In de door appellante beschikbaar gestelde verkoopbrochure en in de door appellante op Funda geplaatste advertentie staat een gebruiksoppervlakte van de woning vermeld van 180m2. Conform de NVM meetinstructie werd de woning echter ingemeten op 160m2. Het hof overweegt dat deze meetinstructie strekt ter bescherming van de aspirant-kopers. In beginsel mogen zij er volgens het hof van uitgaan dat het in de verkoopinformatie vermelde oppervlakte is gemeten met inachtneming van de meetinstructie en dus overeenkomst met het netto woonoppervlak van de woning. Appellante is aansprakelijk uit onrechtmatige daad omdat in de van haar afkomstige verkoopbrochure en de Funda advertentie informatie stond omtrent de woonoppervlakte van de woning die bij geïntimeerde een onjuiste voorstelling van zaken heeft gewekt. Het hof is van oordeel dat aan het causaal verband in dit geval geen hoge eisen mogen worden gesteld. Appellante heeft immers door de vermelding van de onjuiste informatie zelf de situatie in het leven geroepen dat niet meer valt vast te stellen hoe geïntimeerde zou hebben gehandeld indien hij van de juiste stand van zaken op de hoogte zou zijn geweest. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de schade op de voet van artikel 6:97 BW wordt geschat op een bedrag ad € 9.000,-.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2581

De rechtbank Oost-Brabant heeft het verzoek van appellante tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht gericht op het verkrijgen van inzicht in de door geïntimeerde gestelde schade afgewezen. Het verzoek werd afgewezen op de grond dat het prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde zou zijn nu de aansprakelijkheid van appellante en het causale verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de schade nog niet vast staat. De omvang van de schade is iets dat pas, nadat over de aansprakelijkheid en het causale verband een beslissing is genomen (eventueel nog) aan de orde zal komen. Ook het hof is van oordeel dat een voorlopig deskundigenonderzoek op dit moment, gelet op stadium waarin de bodemprocedure zich bevindt, prematuur en om die reden in strijd met de goede procesorde is. Voorts wijst het hof op de omstandigheid dat in de bodemprocedure bovendien eveneens geoordeeld dient te worden over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Deze voorwaarden zijn van aanzienlijke invloed op de omvang van de beweerdelijke schade. Daar komt bij dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van de door geïntimeerde geboden mogelijkheid om de aan de schadebegroting ten grondslag liggende stukken op haar kantoor te komen inzien. Het verzoek wordt dan ook door het hof afgewezen.

Gerechtshof Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2932

Een door twee opvolgende aannemers aangebracht rookgasafvoerkanaal voldoet niet aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, doordat het kanaal niet is omkokerd en onvoldoende afstand is aangehouden tot brandbare delen. Appellant in deze procedure betreft de opvolgend aannemer welke het rookgasafvoerkanaal heeft afgemaakt. Anderhalf jaar na oplevering is in het huis een brand ontstaan. Achmea heeft de schade die is ontstaan door de brand uitgekeerd aan de eigenaren van de woning. Uit onderzoek van meerdere deskundigen volgt dat de brand op twee plaatsen rondom het rookgasvoerkanaal is ontstaan. Er is een oorzakelijk verband tussen het ontstaan van de brand en het aanleggen van het rookgasafvoerkanaal in strijd met de veiligheidsvoorschriften. De verantwoordelijkheid van de appellant als afbouwer van het rookgasafvoerkanaal met betrekking tot de veiligheidsvoorschriften omvat volgens het gerechtshof mede dat hij zich, binnen de grenzen van wat zichtbaar is, ervan vergewist dat het door zijn voorganger gebouwde deel voldoet aan de daaraan gestelde eisen en dat hij zelf de nodige veranderingen aanbrengt of de opdrachtgever waarschuwt indien dat niet het geval is. In dit geval was met het blote oog zichtbaar dat onvoldoende afstand van het niet-omkokerde rookgasafvoerkanaal tot de brandbare delen in acht was genomen. De afbouwer is dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk voor de door de brand veroorzaakte schade.

Gerechtshof Amsterdam 1 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3315

Het feit dat de rechtbank niet is overgegaan tot benoeming van de door verzoeker voorgestelde deskundige, de deskundige niet de verzochte gewijzigde IWMD-vraagstelling heeft voorgelegd en de stelling van verzoeker dat verweerder met het voorschot moet worden belast heeft verworpen, brengt niet met zich dat de rechtbank het verzoek (al dan niet ten dele) heeft afgewezen als bedoeld in artikel 204 lid 2 Rv. Tegen de bestreden beschikking staat in beginsel dan ook geen hoger beroep open. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft appellant betoogd dat hij een impliciet beroep heeft gedaan op schending van zodanig fundamentele rechtsbeginselen dat niet gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak. Het gerechtshof overweegt echter dat uit het beroepschrift van appellant niet – ook niet impliciet – een beroep op een of meer doorbrekingsgronden kan worden afgeleid. Nu dit beroep niet eerder dan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep is gedaan, handelt het om een tardieve grief. Het gerechtshof verklaart appellant zodoende niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3759

Het toevallig krijgen van een beroerte op het werk valt niet onder schade geleden in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW. De beroerte is (mogelijk) tijdens de uitoefening van de werkzaamheden opgetreden maar niet in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW. Voorts concludeert het gerechtshof dat art. 7:611 BW evenmin een grond voor aansprakelijkheid van de werkgever vormt. Een en ander nu niet redelijkerwijs voor de werkgever duidelijk had moeten zijn dat de werknemer acute medische hulp nodig had toen de werkgever hem naar huis stuurde.

Gerechtshof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3479

In het varkensbedrijf van geïntimeerden zijn 477 vleesvarkens door verstikking om het leven gekomen doordat de ventilatoren in de stal waren uitgevallen en een alarmmelding uitbleef. Als gevolg van een kortsluiting kwam de stal zonder spanning te zitten. Nationale-Nederlanden heeft dekking voor de schade afgewezen, nu als voorwaarde voor dekking geldt dat de regelapparatuur is aangesloten op een werkend alarmsysteem. Tevens is in de polisvoorwaarden bepaald dat schade die verband houdt met het niet aanwezig zijn of het niet afgaan van het alarm niet verzekerd is. Het gerechtshof overweegt dat vorenstaande uitsluiting in beginsel van toepassing is nu het alarm ten tijde van het voorval niet is afgegaan. Voorts overweegt het gerechtshof dat de omstandigheid dat deze voorwaarde voor dekking bij de uitsluitingen is opgenomen en niet bij de primaire dekkingsomschrijving niet maakt dat de voorwaarde als verstopt moet worden beschouwd. Het is gebruikelijk dat polisvoorwaarden eerst een primaire dekkingsomschrijving geven en vervolgens een reeks uitsluitingen noemen. Nationale-Nederlanden heeft geïntimeerden volgens het gerechtshof dan ook voldoende duidelijk geïnformeerd dat schade die verband houdt met het niet afgaan van het alarm, van dekking wordt uitgesloten. Dat de gevolgen van de uitsluiting voor geïntimeerden groot zijn, dat de oorzaak van het falen van het alarmsysteem ten tijde van het voorval niet is achterhaald en dat de schade niet zou zijn geleden als het alarm zou zijn afgegaan omdat geïntimeerden dan maatregelen had kunnen nemen om de varkens te redden, zijn geen (voldoende) redenen om een beroep van Nationale-Nederlanden op de uitsluiting in de polisvoorwaarden niet toe te staan.

Gerechtshof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3470

Appellant in deze procedures heeft de ouders van een minderjarige als wettelijke vertegenwoordigers in hoger beroep gedagvaard. De minderjarige wederpartij was echter gedurende de eerste aanleg meerderjarig geworden. Het hof overweegt dat het dagvaarden van de ouders die hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers inmiddels hebben verloren, in beginsel dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid. Dit zou echter anders kunnen zijn als redelijkerwijs niet van de appellant gevergd had kunnen worden dat hij bij het uitbrengen van de dagvaarding rekening hield met de mogelijkheid dat de materiële wederpartij intussen meerderjarig was geworden. Die uitzonderingssituatie is volgens het gerechtshof niet aan de orde nu de geboortedatum van de wederpartij in de processtukken was te vinden. Het gerechtshof verklaart appellant zodoende niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep.