Arresten gerechtshof

Gerechtshof Amsterdam 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2999

Werkgever aansprakelijk voor schade van werknemer ten gevolge van val van ladder?

Appellante houdt zich bezig met dakrenovaties en was ingeschakeld voor een project om 289 daken te renoveren. Voor deze werkzaamheden heeft appellante geïntimeerde ingeleend als dakdekker. Gedurende het uitvoeren van zijn werkzaamheden voor appellante is geïntimeerde tijdens het afdalen van een ladder gevallen. In eerste aanleg lag aan de rechtbank de vraag voor of appellante aansprakelijk was voor het letsel van geïntimeerde ten gevolge van zijn val. De kantonrechter heeft de vordering van geïntimeerde in eerste aanleg toegewezen aangezien niet gebleken was dat appellante alle redelijkerwijs te vergen voorzorgsmaatregelen had getroffen. In deze procedure ligt – onder andere – aan het hof de vraag voor of appellante aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het hof oordeelt dat voor het afdalen van een ladder zonder anti-slipbeveiliging geen bijzondere kennis en vaardigheden vereist zijn. Daarbij oordeelt het hof dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren waardoor appellante zorg had moeten dragen voor een ladder met anti-slipbeveiliging. Appellante hoefde geïntimeerde niet te instrueren omtrent het veilig afdalen van een ladder dan wel te wijzen op de risico’s bij het afdalen van een ladder. Geïntimeerde stelt dat hij zijn handen vol had terwijl hij de ladder afdaalde hetgeen door appellante wordt betwist. Indien vast komt te staan dat geïntimeerde zijn handen vol had gedurende het afdalen dan heeft appellante haar zorgplicht geschonden aangezien de leidinggevende, die in de buurt was ten tijde van het ongeval, daar op toe had moeten zien. Geïntimeerde heeft niet nader kunnen verklaren hoe hij in staat was om met volle handen de ladder af te dalen. Zodoende overweegt het hof dat voorshands bewezen is dat appellante aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Geïntimeerde wordt toegelaten om tegenbewijs te leveren.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3663

Kwalificeren kosten ten aanzien van eerder gevoerde tuchtprocedure als kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid ex art. 6:96 lid 2 sub b BW?

Appellant exploiteert een makelaarskantoor en heeft in die hoedanigheid bemiddeld bij de koop van een woning door geïntimeerde. Geïntimeerde heeft vervolgens een tuchtprocedure tegen appellant gevoerd. In de tuchtprocedure is de klacht tegen appellant gegrond verklaard. In deze procedure vordert geïntimeerde onder andere vergoeding van de kosten ten aanzien van de eerdere tuchtprocedure. Geïntimeerde stelt dat de kosten ten aanzien van de tuchtprocedure kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid in de zin van art. 6:96 lid 2 sub b BW. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid behoudens bijzondere omstandigheden. Dat de uitkomst van de tuchtprocedure van belang kan zijn voor de vraag of appellant aansprakelijk is, maakt volgens het hof niet dat een tuchtprocedure noodzakelijk is. Een tuchtprocedure heeft niet tot doel de civielrechtelijke aansprakelijkheid van appellant vast te stellen. Daarbij gelden in een tuchtprocedure andere maatstaven en bewijsregels. Van enige andere bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt rechtvaardigen is evenmin gebleken. De kosten ten aanzien van de tuchtprocedure komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11390

Achteruitrijdende auto aansprakelijk voor schade welke is ontstaan doordat een naderende auto schrok van deze manoeuvre en vervolgens in aanraking is gekomen met een andere auto?

Een verzekerde van TVM reed in haar auto en naderde enkele op de weg gelegen parkeervakken. Uit een van de parkeervakken reed een bij asr verzekerd voertuig achteruit. De bestuurder van het bij TVM verzekerde voertuig schrok en remde. Door het remmen is de verzekerde van TVM geslipt en op de andere weghelft in aanraking met een ander voertuig gekomen. TVM heeft de schade aan haar eigen verzekerde en de bestuurder van de auto op de andere weghelft vergoed. In deze procedure wenst TVM de uitgekeerde schade op asr te verhalen. TVM stelt daartoe dat de verzekerde van asr onrechtmatig heeft gehandeld doordat deze achteruit reed toen de verzekerde van TVM naderde. In deze procedure ligt aan het hof de vraag voor of asr gehouden is om de door TVM uitgekeerde schade aan TVM te vergoeden. Het hof oordeelt dat het aan de verzekerde van asr is om bij het achteruitrijden aan andere verkeersdeelnemers voldoende ruimte te bieden zodat bij hen het vertrouwen wordt gewekt dat er daadwerkelijk voorrang wordt verleend. Het hof oordeelt dat de verzekerde van asr dit heeft gedaan door tijdig en op voldoende afstand van de rijbaan stil te gaan staan. Het hof hecht er daarbij waarde aan dat de verzekerde van TVM ter plaatse bekend was. Het hof is van oordeel dat de verzekerde van asr met haar handelen alleen beoogd heeft om zicht te krijgen op de verkeerssituatie. De verzekerde van asr hoefde niet te verwachten dat haar handelen een extreme reactie bij het overige verkeer op zou roepen. Daarbij oordeelt het hof dat de verzekerde van TVM haar rijgedrag onvoldoende heeft aangepast aan de situatie. De verzekerde van asr treft volgens het hof rechtens geen enkel verwijt. De vorderingen van TVM worden door het hof afgewezen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:11393

Welke rol komt toe aan de klachtplicht wanneer sprake is van een regresvordering?  

Ursem heeft in haar bedrijfshal kant en klare studentenkamers (modules) vervaardigd. De modules werden opgeslagen in de buitenlucht. Ursem heeft om lekkages te voorkomen Morgo, verzekerde van Achmea, verzocht waterdichte en brandwerende folie te leveren voor deze modules. Morgo heeft hiervoor geïntimeerde 1 ingeschakeld. Op enig moment heeft Ursem bij Morgo geklaagd over waterlekkage in de kamers. Omstreeks november 2012 heeft Ursem Morgo aansprakelijk gesteld. Geïntimeerde 1 is in december 2014 aansprakelijk gesteld door Ursem. In 2016 heeft Achmea geïntimeerde 1 aansprakelijk gesteld. In deze procedure ligt aan het hof de vraag voor of Achmea tijdig bij geïntimeerde 1 heeft geklaagd. Achmea stelt dat haar regresvordering pas is gaan lopen op het moment dat zij aan haar verzekerde de schade vergoedde ex art. 7:962 BW en art. 6:89 BW toepassing mist. Het hof gaat hierin niet mee en stelt dat de contractuele verhouding van de verzekerde van Achmea en geïntimeerde 1 niet los gezien kan worden van de regresvordering van Achmea nu Achmea haar regresvordering baseert op een tekortschieten jegens haar verzekerde. Zodoende is art. 6:89 BW van toepassing. Uit de feiten leidt het hof af dat het bij geïntimeerde 1 onvoldoende duidelijk was dat de verzekerde van Achmea protesteerde. Ook is geïntimeerde 1 door Dekra, het onderzoeksbureau in deze kwestie, op geen enkele wijze gewezen op haar mogelijke aansprakelijkheid. Geïntimeerde 1 mocht een brief van Dekra derhalve als verzoek om informatie opvatten en niet als klacht. Pas bij brief van 24 oktober 2016 heeft Achmea volgens het hof geïntimeerde 1 ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat hij was tekortgeschoten. Het hof concludeert dat dit in de gegeven omstandigheden niet binnen bekwame tijd is. Het hof hecht er daarbij waarde aan dat geïntimeerde 1 na correspondentie over het onderzoek drie jaar niets meer vernomen heeft over de kwestie. Volgens het hof was het voor Achmea al geruime tijd voor 24 oktober 2016 duidelijk dat geïntimeerde 1 aansprakelijk was terwijl geïntimeerde 1 daar geen rekening (meer) mee hoefde te houden. Het feit dat geïntimeerde 1 eerder door Ursem aansprakelijk is gesteld doet daaraan niets af aangezien deze aansprakelijkstelling niet gelijk gesteld kan worden aan een klacht van de verzekerde van Achmea. Het hof oordeelt dan ook dat geïntimeerde 1 een gerechtvaardigd beroep op de klachtplicht toekomt en wijst de vorderingen van Achmea af.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3710

Waterschap aansprakelijk voor overstromingen op land van appellante?

Appellant exploiteert een gemengd landbouwbedrijf en beschikt over enkele percelen die zich in de nabijheid bevinden van de watergangen. Deze watergangen worden beheerd door Waterschap de Dommel (hierna: WDD). In verband met hevige weersomstandigheden zijn deze watergangen overstroomd. Appellant stelt dat WDD jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld aangezien WDD haar onderhouds- en beheersverplichtingen niet is nagekomen waardoor de waterlast is ontstaan. Het hof oordeelt dat WDD haar zorgplicht niet heeft geschonden aangezien zij aan de hand van NBW-normen en de watersysteemtoets de watergangen heeft getoetst. Het hof merkt daarbij op dat de NBW-normen niet beogen om overstromingen in zijn geheel te voorkomen maar deze tot een maatschappelijk acceptabel niveau te reduceren. Daarbij oordeelt het hof dat het voorspelde weer (te) onzeker was voor WDD om anticiperend te handelen. Volgens het hof is evenmin komen vast te staan dat WDD de maaiwerkzaamheden in de watergangen eerder had moeten verrichten in verband met wateroverlast aangezien appellant onvoldoende heeft aangetoond dat er te veel begroeiing in de gangen aanwezig was waardoor niet meer aan de normen voor wateroverlast voldaan kon worden. Ook is niet gebleken dat WDD haar zorgplicht ten aanzien van de duiker dan wel de stuw heeft geschonden. Op basis van het voorgaande oordeelt het hof dat niet is komen vast te staan dat WDD zich onvoldoende heeft ingespannen om wateroverlast op de percelen van appellant te voorkomen. Bovendien is niet komen vast te staan dat WDD bij de afweging van de betrokken belangen onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van appellante. Het hof wijst de vorderingen van appellante dan ook af.