Arresten gerechtshof

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2188

Appellante houdt paarden op een terrein. Op dit terrein bevindt zich een stapmolen ten behoeve van de paarden. Een stapmolen is een omheinde ruimte waarin een paard door een elektrisch aangedreven molen gedwongen wordt in een bepaald tempo te lopen. Een verzekerde van geïntimeerde was werkzaam voor appellante. Op 21 februari 2017 is de verzekerde van geïntimeerde met zijn auto het terrein opgereden waarbij hij geen gebruik heeft gemaakt van de op het terrein gelegen verharde weg, maar tussen de rijbak en de stapmolen is gereden. Op dat moment bevond een paard zich in de stapmolen. Ten gevolge hiervan is het paard geschrokken en gewond geraakt. Op het aanrijdingsformulier heeft verzekerde aangegeven dat hij niet zag dat er een paard in de stapmolen aanwezig was en hij juist op deze wijze reed om andere op het terrein aanwezige paarden te vermijden. In deze procedure ligt aan het hof de vraag voor of de verzekerde van geïntimeerde in de gegeven omstandigheden aansprakelijk is voor de schade aan het paard. Geïntimeerde heeft aangevoerd dat er geen sprake was van een typisch verkeersrisico waar de WAM dekking voor biedt. Het hof gaat hierin niet mee en oordeelt dat de schade veroorzaakt is op een wijze die karakteristiek is voor het verkeer mede gezien het feit dat de auto conform zijn gebruikelijk functie is gebruikt. Het hof merkt daarbij op dat paarden vluchtdieren zijn hetgeen inhoudt dat zij op de vlucht slaan bij gevaar. Het hof neemt aan dat de verzekerde van geïntimeerde met het vorenstaande en met de werking van de stapmolen bekend was. Het hof oordeelt vervolgens dat het voor de verzekerde van geïntimeerde voor de hand lag om gebruik te maken van de verharde weg waarbij hij er tevens rekening mee had dienen te houden dat de stapmolen in werking kon zijn. Volgens het hof brengt de maatschappelijke zorgvuldigheid in de gegeven omstandigheden dan ook mee dat de verzekerde van geïntimeerde af had moeten zien van zijn handelen en de verharde weg had moeten volgen. Zodoende heeft de verzekerde van geïntimeerde onrechtmatig gehandeld en is hij aansprakelijk voor de schade aan het paard.

Gerechtshof Den Haag 3 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1396

Appellant is werkzaam als huisarts. Tussen appellant en de rechtsvoorganger van Vivat is op enig moment een arbeidsongeschiktheidsverzekering tot stand gekomen. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft naar aanleiding van een klacht van een patiënte de inschrijving van appellant als arts in het BIG-register voor de duur van zes maanden geschorst. In hoger beroep heeft het Centraal College voor de Gezondheidszorg geoordeeld dat de inschrijving van appellant als arts in het BIG-register moet worden doorgehaald. Vervolgens heeft appellant een beroep gedaan op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. Telefonisch heeft appellant aangegeven dat hij door cordiale en psychische klachten niet in staat was om te werken. Appellant heeft tijdens dit gesprek geen melding gemaakt van de doorhaling in het BIG-register. Reaal is op enig moment van deze doorhaling op de hoogte geraakt en heeft de verzekering van appellant beëindigd en heeft vervolgens de gedane uitkeringen terug gevorderd. In deze procedure dient het hof te beoordelen of er sprake is van opzettelijke misleiding aan de zijde van appellant. Het hof merkt allereerst op dat voor het beoordelen van arbeidsongeschiktheid in het kader van een beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering het daadwerkelijk kunnen uitoefenen van het beroep van wezenlijk belang is. Gezien – onder andere – het opleidingsniveau van appellant had het voor hem duidelijk moeten zijn dat hij Reaal had dienen te informeren omtrent de eerdere schorsing waarnaar Reaal nadrukkelijk navraag heeft gedaan. Daarnaast had het voor appellant duidelijk moeten zijn dat hij aan Reaal had dienen te melden dat hij door de doorhaling in het BIG-register niet meer als huisarts werkzaam mocht zijn. Het hof oordeelt dan ook dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden met het opzet om Reaal te misleiden ex art. 7:941 lid 5 BW waardoor zijn recht op uitkering komt te vervallen.

Gerechtshof Amsterdam 10 augustus 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2430

Het UWV huurt van de Staat een gedeelte van een gebouw. Op enig moment is brand ontstaan in dat gedeelte. De Staat heeft het UWV aansprakelijk gesteld voor de schade. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de huurovereenkomst waarin staat dat de huurder aansprakelijk is voor de schade aan het gehuurde, die ontstaan is door een hem toe te rekenen tekortkomen in de nakoming van enige verplichting uit de huurovereenkomst. Zij verschillen met name van mening over de zinsnede ‘Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan.’ De kantonrechter heeft met een vergelijking van art. 7:218 BW in het voordeel van de Staat geoordeeld dat het bewijsvermoeden ook geldt ten aanzien van het bestaan van een toerekenbare tekortkoming op zichzelf. Ook het hof gaat hierin mee. Vervolgens ligt aan het hof de vraag voor of het UWV het bewijsvermoeden dat de brandschade is ontstaan door een toerekenbare tekortkoming van zijn kant voldoende heeft ontzenuwd. Het hof volgt het betoog van het UWV dat hieraan is voldaan. Het UWV heeft zich beroepen op het rapport van I-TEK waarin staat dat geenszins vaststaat dat de brand is ontstaan in de telefoonlader (zoals de Staat stelt). Tevens kunnen er diverse oorzaken voor de brand bestaan. Op basis van dit rapport heeft de Staat erkend dat de oorzaak van de brand onbekend is. Het hof overweegt dat het rapport van I-TEK duidelijk maakt dat er geen aanwijzingen zijn voor een toerekenbare tekortkoming van het UWV met betrekking tot de oorzaak van de brand, zoals door de Staat erkend. Voor het hof is daarmee voldoende onzeker geworden dat de schade door een toerekenbare tekortkoming van het UWV is ontstaan.

Gerechtshof Den Haag 17 augustus 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1547

Appellant exploiteert een garagebedrijf. Tijdens de vervanging van een onderdeel van een benzinetank van een auto is brand ontstaan. Deze brand heeft schade veroorzaakt aan het pand van appellant alsmede aan het naburige pand van Botelco. In deze procedure ligt aan het hof de vraag voor of appellant op grond van art. 6:175 BW aansprakelijk is voor de schade van Botelco. De rechtbank heeft de vorderingen van Botelco in eerste aanleg toegewezen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat benzine een gevaarlijke stof is in de zin van art. 6:175 BW en dat het gevaar van deze stof bekend is. Art. 6:175 BW is van toepassing omdat appellant de auto, en daarmee de benzine, in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf feitelijk onder zich had. De rechtbank heeft daarbij voorshands bewezen geacht dat het ontvlammen van de benzine(damp) de oorzaak van de brand is geweest. Appellant komt op tegen dit oordeel; er zouden namelijk meerdere oorzaken voor de brand mogelijk zijn. Het hof overweegt dat voldoende bewezen is dat de brand is ontstaan in de auto bij het leegpompen van de benzinetank. Appellant heeft volgens het hof geen enkele alternatieve verklaring aangedragen met betrekking tot hoe de brand heeft kunnen ontstaan. Ook het verweer van appellant dat ingevolge art. 6:175 BW een onderscheid moet worden gemaakt tussen stoffen die door eigen toedoen gevaar opleveren en stoffen die in combinatie met een externe oorzaak gevaar opleveren, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het door appellant bepleite onderscheid vindt geen steun in de bewoordingen van art. 6:175 BW. Het hof bekrachtigt het in eerste aanleg door de rechtbank gewezen vonnis.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 augustus 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2706

Appellant heeft een autoverzekering afgesloten bij Achmea op naam van zijn echtgenote terwijl de auto op naam van appellant geregistreerd stond. Deze autoverzekering bood onder andere dekking voor brandschade. Op enig moment is de auto ten gevolge van brandstichting beschadigd geraakt. Appellant heeft na de brand aan Achmea medegedeeld dat hij een strafrechtelijk verleden heeft. Achmea heeft vervolgens geweigerd de schade uit te keren omdat bij de verzekeringsaanvraag, ondanks een uitdrukkelijke vraag daarover, niet vermeld is dat een van de personen die onder de verzekering valt in de voorgaande acht jaren in aanraking is geweest met justitie wegens een strafbaar feit. Daarnaast heeft Achmea – onder andere – de gegevens van appellant opgenomen in het Externe Verwijzingsregister voor de duur van acht jaar. In deze procedure ligt de vraag voor of appellant zijn mededelingsplicht heeft geschonden ex art. 7:928 BW. De rechtbank oordeelt dat de verzekering dekking bood voor de belangen van appellant waardoor de vragen met betrekking tot het strafrechtelijk verleden ook van toepassing waren op appellant. Zodoende had appellant melding moeten maken van zijn strafrechtelijk verleden. Daarnaast heeft appellant nagelaten om Achmea te informeren over een eerder geschil met Univé waarbij Univé appellant heeft opgenomen in het Externe Verwijzingsregister. Aangezien er bij het geschil met Univé ook sprake was van autobranden en Achmea vragen stelde omtrent van belang zijnde feiten voor de verzekeringsbeoordeling oordeelt het hof dat appellant het geschil met Univé ook aan Achmea kenbaar had moeten maken. Zodoende concludeert het hof dat Achmea bij kennis van de ware stand van zaken de verzekeringsovereenkomst niet zou hebben gesloten. Daarbij acht het hof de door appellant opgegeven aanschafwaarde van de auto onaannemelijk waardoor in voldoende mate vaststaat dat appellant bewust een hogere koopprijs heeft opgegeven om Achmea tot een hogere uitkering te bewegen. Het hof acht de door Achmea getroffen maatregelen – waaronder een EVR-registratie voor de maximale duur van acht jaar – gerechtvaardigd.