Arresten gerechtshof

Recht op vergoeding van gederfde inkomsten uit 'zwart' werk?

Gerechtshof Den Haag 15 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2673

Een zzp’er heeft bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden als gevolg van een val enkelletsel opgelopen. Achmea (als verzekeraar van de opdrachtgever) heeft aansprakelijkheid erkend. In dit deelgeschil staat de vraag centraal of, dan wel onder welke voorwaarden, bij de bepaling van het verlies van verdienvermogen de door de benadeelde gederfde inkomsten uit ‘zwart’ werk als schade voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft in eerste aanleg het verzoek van Achmea c.s. afgewezen. In hoger beroep legt Achmea c.s. onder andere aan haar vordering ten grondslag dat gederfde inkomsten uit zwart werk moeten worden aangemerkt als schade aan een niet-rechtmatig belang welke schade om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Verder stelt Achmea c.s. dat indien Achmea gehouden zou zijn gederfde inkomsten uit zwart werk als schade te vergoeden, zij een rechtshandeling zou moeten verrichten die nietig (of vernietigbaar) is, omdat deze door inhoud en strekking in strijd is met de openbare orde of goede zeden (art. 3:40 BW). Het hof overweegt dat het bij schade aan een niet-rechtmatig belang gaat om werkzaamheden die als zodanig verboden zijn – ze zijn in strijd met de wet – en daarmee geen bescherming verdienen. Zwarte werkzaamheden zijn op zichzelf toegestaan, maar worden fiscaal niet verantwoord en dat is verboden, aldus het hof. Het hof oordeelt dat de schade niet kan worden aangemerkt als schade aan een niet-rechtmatig belang. Tevens ziet het hof niet in dat wanneer Achmea de schade vergoedt, zij in strijd handelt met art. 3:40 BW. Achmea komt volgens het hof hiermee slechts haar contractuele verplichting jegens haar verzekerde tot uitkering onder de polis na, waarbij het volgens het hof in het midden kan blijven of het doen van deze uitkering een rechtshandeling is. Anders dan Achmea c.s. meent, is in dat geval geen sprake van meewerken aan belastingontduiking, aldus het hof. Het voorgaande betekent dat de vordering op de primaire grondslag niet toewijsbaar is. De subsidiaire vordering van Achmea c.s houdt in dat de door verweerder gestelde genoten en gederfde inkomsten uit zwart werk uitsluitend dienen te worden betrokken bij het begroten van de omvang van de schade wegens verlies van verdienvermogen die door Achmea c.s. zou moeten worden vergoed, indien en voor zover hij stelt en bewijst dat hij die inkomsten ook (en in dezelfde omvang) zou hebben genoten en zou zijn blijven genieten indien op die inkomsten de toepasselijke belastingen en premies zouden zijn c.q. worden ingehouden of afgedragen. In het geval dat het bestaan en de omvang van de door verweerder gestelde zwarte werkzaamheden bewezen worden geacht – de stelplicht en bewijslast rusten in beginsel op verweerder – moet vervolgens volgens het hof worden vastgesteld (of geschat) welk netto-inkomen hij zou hebben genoten, of zou hebben kunnen genieten, als hij over de inkomsten belasting en premie zou hebben afgedragen en hij de oproepkrachten wit had betaald. Voor zover aannemelijk zou zijn dat de beloning van verweerder in dat geval dermate laag zou zijn geweest dat hij geacht moet worden niet bereid te zijn geweest de werkzaamheden daarvoor te hebben willen verrichten, staat daarmee volgens het hof niet vast dat verweerder dan, naast het bedrag dat hij al met andere witte werkzaamheden verdiende, geen inkomsten zou hebben gehad. De vordering kan ook niet op de subsidiaire grondslag slagen en het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Dient de werkgever het bedrag uit de collectieve ongevallenverzekering aan de werknemer te vergoeden?

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:84

Appellant heeft bij een bedrijfsongeval ernstig letsel opgelopen. Geïntimeerde had een collectieve ongevallenverzekering afgesloten bij De Amersfoortse Verzekeringen (‘De Amersfoortse’). Uit hoofde van deze verzekering en vanwege het bedrijfsongeval heeft De Amersfoortse een bedrag uitgekeerd aan geïntimeerde, die als verzekeringsnemer en begunstigde op het polisblad stond. Appellant vordert dat geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling aan hem van het bedrag dat zij van De Amersfoortse heeft ontvangen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Appellant heeft als eerste grief aangevoerd dat er niet alleen sprake is van een sommenverkering, maar ook van een schadeverzekering. Appellant voert daartoe aan dat er een relatie is tussen de hoogte van het arbeidsinkomen en het verzekerd bedrag, omdat de inkomensgegevens van de werknemers jaarlijks worden doorgegeven aan De Amersfoortse. Het hof overweegt dat de verzekering eenmalig een vast bedrag uitkeert in het geval waarin het verzekerde voorval zich voordoet. De omvang van de uitkering is niet gerelateerd aan de omvang van de daadwerkelijk geleden schade, waardoor er volgens het hof sprake is van een sommenverzekering. Dat de hoogte van het inkomen van de werknemer in kwestie voor de berekening van de uit te keren som van belang is, maakt deze verzekering nog geen schadeverzekering, aldus het hof. Ten aanzien van een deel van de overige grieven voert appellant aan dat hij in de polisvoorwaarden als begunstigde van de verzekering is aangewezen, althans dat evident is bedoeld dat hij begunstigde is. Het hof overweegt dat vast staat dat geïntimeerde ex art. 7:966 lid 1 BW op het polisblad als begunstigde is aangewezen. Het hof is van oordeel dat nergens in de polis of polisvoorwaarden is bepaald dat de verzekerden degenen zijn die aanspraak kunnen maken op uitkering ingeval van het intreden van het verzekerd risico. Appellant heeft aangevoerd dat dit volgens hem uit de polisvoorwaarden blijkt, maar het hof volgt hem hierin niet en appellant heeft dit naar het oordeel van het hof ook onvoldoende onderbouwd. Nu geen derde als begunstigde is aangewezen volgt ook uit art. 7:967 lid 8 BW dat geïntimeerde als verzekeringnemer het recht op uitkering toekomt, aldus het hof. Verder overweegt het hof dat van belang is dat in de arbeidsovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde geen bepaling is opgenomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant als begunstigde heeft te gelden bij de door geïntimeerde met De Amersfoortse afgesloten collectieve ongevallenverzekering. Het hof overweegt dat appellant zijn stelling dat geïntimeerde en De Amersfoortse bij het sluiten van de collectieve ongevallenverzekering de bedoeling zouden hebben gehad om de bij geïntimeerde werkzame werknemers als begunstigde van de verzekering aan te merken en om dekking voor eventuele schade voor werknemers van geïntimeerde af te spreken, niet althans onvoldoende gemotiveerd is onderbouwd. Anders dan appellant stelt is het hof van oordeel dat geïntimeerde wel degelijk een eigen belang bij bedoelde verzekering heeft en dat hij zich daarom als begunstigde heeft laten opnemen op het polisblad. Ook de overige grieven van appellant slagen niet. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Werkgever aansprakelijk voor val van trap?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:593

In deze zaak gaat het om de vraag of Connexxion jegens appellant aansprakelijk is voor de schade die appellant stelt te hebben geleden door de val van de trap naar de toiletten en het pauzelokaal van het busstation. Volgens appellant is Connexxion hiervoor als werkgever aansprakelijk, omdat zij niet aan haar zorgplicht heeft voldaan nu de trap nat en glad was en zij heeft nagelaten maatregelen te treffen om gladheid van de trap te voorkomen en/of daarvoor te waarschuwen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Connexxion aan haar zorgplicht heeft voldaan, waardoor zij niet aansprakelijk is voor de schade van appellant. Partijen twisten over de vraag of de trap op de bewuste dag nat was. Connexxion voert onder andere aan dat op de bewuste dag alleen de toiletruimte en de hal tussen de toiletruimte en de trap zijn schoongemaakt en niet de trap zelf. Na het ongeval heeft Connexxion een interne rapportage opgesteld. Zij heeft niet de Arbeidsinspectie ingeschakeld. Connexxion heeft twee jaar na het ongeval een extern bureau ingeschakeld om onderzoek te doen naar de toedracht van het ongeval. De expert is ervan uitgegaan dat op de bewuste dag sprake is geweest van schoonmaakwerkzaamheden, maar dat de trap niet is schoongemaakt. Ter onderbouwing van haar stelling dat de trap die bewuste dag niet was schoongemaakt heeft Connexxion verwezen naar het schoonmaakrooster. Vast staat echter dat het schoonmaakrooster ontbreekt. Dit betekent volgens het hof dat niet is uitgesloten dat de trap nat/glad was door schoonmaakwerkzaamheden en evenmin is uitgesloten dat schoonmaakmiddelen zijn gebruikt. Dit heeft tot gevolg dat niet althans onvoldoende is komen vast te staan dat de trap niet nat was, terwijl getuigen verklaren dat de trap wel nat/schoongemaakt was. Het hof oordeelt dat Connexxion er niet in is geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken omdat een schoonmaakrooster ontbreekt waaruit blijkt dat op de dag van het ongeval de trap niet is schoongemaakt, dan wel een logboek voorhanden is waaruit blijkt wat er die dag precies is schoongemaakt. Tevens is er geen afdoende rapport direct na het ongeval opgemaakt en heeft pas 2,5 jaar nadien een extern onderzoek naar de toedracht plaatsgevonden. Aan dat onderzoek kan onder andere wat betreft de gladheid van de trap geen waarde worden gehecht in verband met het gebruik van alleen kraanwater, aldus het hof. Het hof overweegt dat met de getuigenverklaringen en het ontbreken van het schoonmaakrooster dan ook niet vast staat dat de trap die bewuste dag niet (ook) met schoonmaakmiddel is schoongemaakt. Ten slotte verwijt het hof Connexxion dat zij geen melding heeft gemaakt bij de Arbeidsinspectie terwijl dat op grond van art. 9 van de Arbeidsomstandighedenwet wel in de rede had gelegen. Het hof concludeert dat nu de exacte toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan door omstandigheden die in de risicosfeer van Connexxion liggen, de conclusie is dat Connexxion is tekortgeschoten in haar zorglicht van art. 7:658 BW. De overige verweren acht het hof gelet op het voorgaande niet relevant. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter.

Geen vernietiging van de overeenkomst ondanks het niet informeren van kopers

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:364

ASI c.s. is op een recreatiepark een nieuw initiatief ‘Camper Village’ gestart. In een brochure waarin Camper Village wordt gepromoot staat onder andere dat mensen die het gehele jaar door met de camper op reis zijn en toch behoefte hebben aan een ‘vaste woonplek’ de mogelijkheid hebben om een kavel op Camper Village in erfpacht te nemen. Tevens staat vermeld dat de bewoners officieel erkend worden als bewoner en zich kunnen inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie (‘GBA’) in Venlo. Appellanten hebben allen een kavel in erfpacht verkregen/aangekocht op Camper Village. In een formulier van de gemeente Venlo staat vermeld dat een bewoner gedurende een jaar minimaal zes maanden en één dag verblijf dient te houden op het adres van het recreatiepark. In de erfpacht-/koopovereenkomsten is een bepaling opgenomen inhoudende dat de kavel bestemd is als standplaats voor een chalet, aan te wenden voor het toegestane recreatieve gebruik. Tot slot is in het bestemmingsplan bepaald dat een 120-dagen afwezigheidseis geldt op het recreatiepark, hetgeen met zich brengt dat permanente bewoning op het park niet is toegestaan. Appellanten vorderen onder andere een partiële vernietiging van de overeenkomsten op grond van bedrog, dan wel dwaling. Appellanten verwijten ASI dat zij op de hoogte was van de afwezigheidseis van 120 dagen per kalenderjaar die de gemeente Venlo stelt, maar dat zij appellanten hierover niet heeft geïnformeerd. De rechtbank heeft de vorderingen van appellanten afgewezen. Het hof oordeelt ten aanzien van het beroep op bedrog dat onder andere niet voldaan wordt aan het vereiste van opzet. Ten aanzien van het beroep op dwaling stelt het hof voorop dat Camper Village beoogt te voorzien in de behoefte van mensen die gedurende het gehele jaar veel op reis zijn met de camper, maar die evenwel een ‘vaste woonplek’ er op na wensen te houden. Het bijzondere aan dit concept is volgens ASI c.s. dat de zogenaamde camperaars zich op het adres van de vakantiewoning mogen laten registreren in Venlo. Het concept houdt dus volgens appellanten niet in dat eigenaren van een chalet die dat willen, permanent mogen wonen op het park. Appellanten stellen dat zij door het gedrag van X (degene die de erfpacht/verkoop van de kavels heeft verzorgd) gedwaald hebben. Zij stellen dat X uitlatingen heeft gedaan dat er geen afwezigheidseis bestond, terwijl hij wist dat deze wel aanwezig was. Het hof overweegt dat X bekend was met de afwezigheidseis en hij daarom een mededelingsplicht had om appellanten te informeren over de mogelijkheid tot inschrijving in de Basisregistratie Personen, met de aantekening dat appellanten ten minste 120 dagen elders zouden moeten verblijven. Het hof oordeelt dat ASI c.s. door middel van de brochure en de bepalingen over het gebruik van de kavels in de overeenkomsten appellanten voldoende heeft geïnformeerd over het concept van Camper Village. Daarmee heeft ASI c.s. volgens het hof aan haar mededelingsplicht voldaan. Het hof overweegt dat indien de informatie voor appellanten niet voldoende was, van hen verwacht mocht worden dat zij zich daarover nader hadden laten informeren bij de gemeente Venlo. Dit hebben zij volgens het hof niet (voldoende) gedaan. Zo heeft appellant 1 wel contact gehad met de gemeente Venlo, maar heeft hij alleen gecontroleerd of hij zich mocht inschrijven op Camper Village (maar niet gevraagd naar het door de gemeente Venlo toegestane recreatieve gebruik conform het bestemmingsplan). Het verwijt dat appellanten ASI c.s. maken over schending van de mededelingsplicht, valt volgens het hof in het niet bij de gebrekkige uitvoering van de eigen onderzoeksplicht. Ook de overige vorderingen van appellanten worden afgewezen en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.