Arresten gerechtshof

Gerechtshof Amsterdam 23 augustus 2022, ECLI:NL:GHAMS:2471

Verwijzing in kleine letters op achterkant factuur naar algemene voorwaarden bij mondeling gesloten overeenkomst voldoende?

Geïntimeerde heeft zich als aannemer verbonden om een riolering aan te leggen. Voor het verrichten van deze werkzaamheden heeft hij een kraanmachine met machinist gehuurd bij appellante. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden met de kraan is er schade ontstaan. Liander, de netbeheerder en de partij die schade lijdt, heeft geïntimeerde gedagvaard waarbij geïntimeerde appellante in vrijwaring heeft opgeroepen. In de hoofdprocedure is geïntimeerde veroordeeld om de schade aan Liander te vergoeden. In de vrijwaringsprocedure komt het hof tot het oordeel dat geïntimeerde en appellante hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarbij geïntimeerde twee-derde van de schade zelf dient te dragen. Ter wering van aansprakelijkheid heeft appellante zich op haar algemene voorwaarden beroepen waarin – kort gezegd – is opgenomen dat opdrachtgever – in dit geval geïntimeerde – aansprakelijk is voor alle schade. Van belang is dat dat de overeenkomst tussen geïntimeerde en appellante een dag van te voren mondeling tot stand is gekomen. Partijen deden regelmatig zaken met elkaar. Appellant heeft diverse facturen gezonden aan geïntimeerde. Op deze facturen staat op de achterkant in kleine letters vermeld dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Het hof komt, in tegenstelling tot de rechtbank, tot het oordeel dat voornoemde verwijzing naar de algemene voorwaarden voldoende is. Het hof acht het daarbij niet ongebruikelijk dat deze verwijzing in de praktijk in kleine letters wordt weergegeven. Door deze toepassingsverklaring op de algemene voorwaarden stilzwijgend te accepteren, heeft geïntimeerde het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij de algemene voorwaarden stilzwijgend heeft aanvaard. Dat een beroep op voornoemde bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is volgens het hof niet gebleken. Het hof wijst de vordering van geïntimeerde alsnog af.

Gerechtshof Den Haag 30 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1576

Gelden andere eisen voor een verzekeraar als deze zowel als cascoverzekeraar van het beschadigde voertuig alsmede als verzekeraar van het veroorzakende voertuig betrokken is?

Appellant vordert dat NN zijn schade vergoedt die is ontstaan ten gevolge van een aanrijding. NN is zowel betrokken als cascoverzekeraar van het beschadigde voertuig en als WAM-verzekeraar van de (mogelijke) veroorzaker van de aanrijding. NN weigert de schade te vergoeden omdat zij van oordeel is dat de aanrijding in scène is gezet. Daarnaast stelt NN dat appellant gelogen heeft over de staat van zijn auto voorafgaand aan de aanrijding. Naar aanleiding van de schademelding heeft NN meerdere onderzoeken laten verrichten naar de toedracht en de schadehoogte. Uit deze onderzoeken is naar voren gekomen dat er al sprake was van schades aan de auto en dat er sprake geweest moet zijn van een geënsceneerde aanrijding. In deze procedure ligt aan het hof de vraag voor of NN gehouden is om de schade aan appellant te vergoeden. In de vordering jegens NN als WAM-verzekeraar is het volgens het hof aan appellant om aan te tonen dat er sprake is geweest van een ‘echte aanrijding’. NN heeft het voorgaande volgens het hof gemotiveerd betwist aan de hand van rapporten waarin aangegeven wordt dat het niet aannemelijk is dat de schade is ontstaan zoals door appellant wordt aangegeven. Daarbij zouden er aanvullende omstandigheden zijn die de verklaring van appellant onbetrouwbaar maken. Appellant wordt toegelaten tot het leveren van bewijs dat er geen sprake is van een geënsceneerde aanrijding. Na deze bewijslevering wordt aan een eventueel beroep van NN op eigen schuld toegekomen. Daarbij heeft NN aangevoerd dat appellant onjuist heeft verklaard waardoor, ondanks dat NN als WAM-verzekeraar wordt aangesproken, zij toch een beroep kan doen op art. 7:941 lid 5 BW. Het hof verwerpt dit verweer en verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat er geen rechtstreekse werking uitgaat van art. 7:941 lid 5 BW tussen een ‘derde-claimant’ en de WAM-verzekeraar. Vervolgens komt het hof toe aan de beoordeling van de claim tegen NN als cascoverzekeraar. Ook als cascoverzekeraar weigert NN volgens het hof terecht dekking aangezien appellant heeft verklaard dat er een nieuwe motor was geplaatst in de auto terwijl dit niet het geval was. Het hof oordeelt dan ook dat appellant bewust heeft gelogen over de motor. Derhalve komt NN een succesvol beroep toe op de schending van de mededelingsplicht waardoor de dekking onder deze verzekering komt te vervallen. Appellant dient de onderzoekskosten ten gevolge van de schending van de mededelingsplicht aan NN terug te betalen. Indien NN bewijst dat er sprake is van een geënsceneerde aanrijding dan komen de overige onderzoekskosten ook voor vergoeding in aanmerking.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7873

Kan een arrest herroepen worden als een benadeelde een ander beeld geschetst heeft dan daadwerkelijk het geval is?

ASR is een herroepingsprocedure gestart tegen een benadeelde. Volgens ASR berust een eerder eindarrest op bedrog van de benadeelde aangezien zij onjuiste informatie verstrekt zou hebben over haar belastbaarheid. Het hof concludeerde eerder aan de hand van expertiserapporten dat de benadeelde nauwelijks belastbaar is en dat dit ongevalsgevolg is. Uit een nadien door ASR verrichte deskresearch is gebleken dat de benadeelde een autoverzekering had voor een auto die op haar naam stond. Met deze auto werden jaarlijks de nodige kilometers door de benadeelde gereden hetgeen niet strookt met de eerder vastgestelde belastbaarheid. Ook is er een ander incident gemeld op haar AVP-verzekering. Op basis van deze bevindingen heeft ASR opdracht gegeven om de benadeelde vier dagen te observeren. Naar aanleiding van de eerste observatie is besloten om de benadeelde nogmaals voor een week te observeren. Uit deze observaties is gebleken dat de benadeelde in een hogere mate belastbaar is dan in de eerdere procedure is vastgesteld. Het hof oordeelt dat niet gebleken is dat het door ASR verrichte onderzoek onrechtmatig was en dat zij uiteindelijk tot de observaties over mocht gaan. In het eerdere arrest heeft het hof geschreven dat de benadeelde het leven leidt van ‘een kasplantje’. De activiteiten die uit de observatie naar voren zijn gekomen, waaronder wekelijks het nodige aantal kilometers rijden en het zelfstandig doen van boodschappen, komen niet overeen met de eerder door het hof vastgestelde belastbaarheid. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de benadeelde een onjuist en onwaarachtig feitencomplex heeft voorgespiegeld welk ook van belang was voor het materiële recht waarover het hof had te oordelen. De benadeelde heeft dan ook bedrog gepleegd waardoor de procedure zal worden heropend.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8069

TVM gerechtigd om overeenkomst met verzekerde onmiddellijk op te zeggen indien verzekerde niet alle inlichtingen aan TVM verschaft?

Appellant heeft een verzekeringsovereenkomst gesloten met TVM waarbij onder andere het risico tegen diefstal van (onderdelen van) zijn zeilschip is gedekt. Tussen appellant en een jachtwerf is een financieel conflict ontstaan waarbij de jachtwerf de mast van het schip ter uitoefening van haar retentierecht heeft weggehaald. Appellant heeft aangifte gedaan van diefstal en een schademelding gedaan bij TVM. Na onderzoek heeft TVM de verzekering onmiddellijk beëindigd. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat appellant in strijd met de verzekeringsvoorwaarden heeft gehandeld door TVM bewust onvolledig te informeren over de diefstal. Alhoewel appellant wist waar de mast zich bevond, heeft hij daarover niets vermeld in het door hem ingevulde schadeformulier. Het oordeel van het hof is dan ook dat appellant niet aan zijn verplichting heeft voldaan om binnen een redelijke termijn ‘alle’ inlichtingen aan TVM te verschaffen die voor TVM van belang zijn om haar uitkeringsplicht te beoordelen. Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden of TVM gerechtigd was om de verzekeringsovereenkomst op te zeggen. Het hof oordeelt dat het artikel waar TVM zich op beroept om de overeenkomst te beëindigen niet voldoet aan de vereisten van art. 7:940 lid 3 BW. Dit omdat in de desbetreffende bepaling is opgenomen dat TVM bij iedere overtreding van de bepalingen van de verzekeringsvoorwaarden de overeenkomst per direct mag opzeggen waarbij deze bepaling ten onrechte niet is beperkt tot situaties die betrekking hebben op het handelen met opzet tot misleiding. Ook heeft appellant geen vergelijkbare mogelijkheid tot opzegging met onmiddellijke ingang. Het artikel waar TVM zich op beroept is aldus strijdig met art. 7:490 lid 3 BW. Appellant heeft terecht een beroep op vernietiging van het desbetreffende artikel gedaan. TVM heeft geen grondslag om de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.