Arresten gerechtshof

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2686

Parkeerdienst aansprakelijk voor gestolen auto tijdens parkeerperiode?

Eazzypark exploiteert een parkeerbedrijf op Eindhoven Airport waarbij zij auto’s stalt op bewaakte parkeerterreinen. Zij heeft de beschikking over drie eigen parkeerterreinen en huurt extra parkeerruimte bij onder andere het Evoluon. Eazzypark biedt onder meer een valet service aan waarbij klanten hun auto kunnen afgeven en de auto door een Eazzypark chauffeur op één van de parkeerterreinen wordt geparkeerd. Een persoon heeft zijn bij Allianz verzekerde auto bij Eazzypark afgegeven met de bedoeling hem later weer op te halen. Eazzypark heeft de auto geparkeerd op een door haar op dat moment gehuurd deel van het Evoluon terrein. Op enig moment is de auto van dit terrein gestolen. Voorbijgangers zagen twee mannen bij de auto staan die zich verdacht gedroegen. Allianz heeft als gevolg van de diefstal de dagwaarde van de auto en een dagvergoeding aan verzekerde uitgekeerd. Allianz heeft in eerste aanleg een veroordeling van Eazzypark gevorderd tot betaling van dit bedrag. Allianz stelt dat verzekerde een auto in bewaring heeft gegeven bij Eazzypark en Eazzypark niet aan haar verplichting tot teruggave van de auto heeft voldaan, hetgeen tot gevolg heeft dat Eazzypark tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank oordeelt dat Eazzypark voldoende heeft gedaan om het terrein tegen diefstal te beveiligen, doordat het parkeerterrein met slagbomen was afgesloten en met camera’s werd bewaakt en dat overdag toezicht werd gehouden doordat er steeds mensen op het terrein waren. Hetgeen blijkt uit het feit dat de diefstal direct is opgemerkt. De rechtbank heeft de vorderingen van Allianz afgewezen. In hoger beroep betoogt Allianz dat het parkeerterrein van het Evoluon onvoldoende was beveiligd en bewaakt. Zo zouden de slagbomen van het terrein open hebben gestaan. Het hof oordeelt dat Allianz onvoldoende heeft onderbouwd dat de slagbomen van het parkeerterrein van het Evoluon openstonden. Het hof oordeelt dat Allianz de stellingen van Eazzypark dat zij niet meer heeft kunnen doen dan zij heeft gedaan om het door haar gehuurde deel van het parkeerterrein van Evoluon te bewaken onvoldoende heeft betwist. Eazzypark heeft betoogd dat zij camera’s had laten plaatsen die zowel overdag als in de avond in werking waren. In de avond zenden de camera’s bij geconstateerde bewegingen een signaal naar de meldkamer van een bewakingsbedrijf, waarop ter plekke wordt gecheckt of alles in orde is. Het had naar het oordeel van het hof gezien het vorenstaande op de weg van Allianz gelegen haar betoog dat Eazzypark onvoldoende zorg voor bewaking heeft gedragen nader te onderbouwen. Het betoog van Allianz dat continue cameratoezicht is vereist, is volgens het hof geen voldoende onderbouwing. Ook de overige grieven falen, waardoor het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6991

Schending zorgplicht assurantietussenpersoon wegens niet doorgeven van eisen die verzekeraar stelt

Commitment heeft als assurantietussenpersoon opgetreden bij het afsluiten van een autoverzekering voor geïntimeerde. Nadat de auto van geïntimeerde was gestolen, heeft Reaal dekking geweigerd omdat de auto niet beschikte over het vereiste alarm. Geïntimeerde stelt dat Commitment heeft nagelaten hem (voldoende) te informeren over de door de Reaal gestelde eisen met betrekking tot een in te bouwen alarm en over de gevolgen van het niet voldoen aan die eis. De rechtbank heeft de vordering van geïntimeerde toegewezen. Commitment is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis. Het hof overweegt dat Commitment er terecht op wijst dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot een zorgplichtschending door de assurantietussenpersoon rusten op de verzekeringnemer. Echter, zeker in een geval waarin de assurantietussenpersoon wordt verweten iets te hebben nagelaten wat de zorgplicht meebracht, mag volgens het hof wel van hem worden verwacht dat hij dit voldoende gemotiveerd betwist door te onderbouwen waaruit blijkt dat hij dit wel heeft gedaan. De daartoe benodigde kennis bevindt zich immers voornamelijk in zijn domein. Het hof overweegt dat Commitment wist dat Reaal als vereiste voor dekking stelde dat in de auto een alarm moest worden ingebouwd dat aan bepaalde eisen voldeed. Uit de offerte van Reaal volgt niet dat voor geïntimeerde duidelijk was dat er een alarmeis gold, integendeel: daarop staat bij deze auto juist geen alarmeis vermeld. Het hof overweegt dat het daarom op de weg van Commitment lag om geïntimeerde hierover te informeren. Commitment heeft een e-mail overgelegd waarin een medewerker slechts vraagt welk alarm is ingebouwd in de auto. Niet wordt medegedeeld welke eisen de verzekeraar aan het alarm stelt en ook niet dat er geen dekking bestaat als niet aan die eisen wordt voldaan. Het hof overweegt dat dit niet voldoende is. Het hof concludeert dat de zorgplicht meebracht dat Commitment geïntimeerde had dienen te informeren over de door Reaal gestelde eisen met betrekking tot een in te bouwen alarm en over de gevolgen van het niet voldoen aan die eis (geen dekking). Het hof stelt vast dat Commitment haar zorgplicht heeft geschonden en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Gerechtshof Den Haag 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1509

Uitleg term ‘directe schade’ in algemene voorwaarden

Eurogrit exploiteert een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de productie en handel in straalmiddelen. Zo heeft zij straalgrit aan een van haar afnemers Byldis verkocht. Naderhand is gebleken dat asbesthoudend materiaal in het straalgrit is aangetroffen. In eerste aanleg heeft de rechtbank Eurogrit veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan Byldis ter hoogte van een aanzienlijk lager bedrag dan Byldis had gevorderd. In hoger beroep staat onder andere de uitleg van art. 11 van de algemene voorwaarden (AV) van Eurogrit en in het bijzonder de term “directe schade” ter discussie. Art. 11 luidt als volgt: “Onverminderd wettelijke bepalingen met betrekking tot productaansprakelijkheid, zijn wij onder door ons gesloten overeenkomsten slechts aansprakelijk voor directe schade. […]” In dit geval hebben partijen niet over het beding gesproken, zodat de relevante omstandigheden voor de betekenis van het beding in de overeenkomst zijn: 1) de tekst van het beding in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst en de algemene voorwaarden en (2) de context van de transacties: het gaat hier om twee commerciële partijen die een overeenkomst hebben gesloten voor de levering van een bulkproduct door Eurogrit, voor gebruik in het productieproces van Byldis. Het hof overweegt dat ‘directe schade’ geen wettelijke term en ook geen ‘state of the art’ met een vaste juridische betekenis is. Het hof volgt Byldis niet in het betoog dat alle schade waarvoor Eurogrit op grond van artikel 6:98 BW aansprakelijk is, “directe schade” is. Uit het gebruik van het woord “slechts” leidt het hof af dat Eurogrit bedoeld heeft om haar aansprakelijkheid te beperken. De door Byldis voorgestane uitleg kan volgens het hof niet worden gevolgd. Dat zou namelijk betekenen dat het beding geen enkele beperking van de wettelijke aansprakelijkheid van Eurogrit inhoudt en daarom zonder betekenis zou zijn. Het gezichtspunt dat onduidelijkheid in de bepalingen ten nadele van de gebruiker kan worden uitgelegd, betekent volgens het hof niet dat alleen al daarom de voor Byldis voordeligste uitleg aan het begrip “directe schade” moet worden gegeven. Eurogrit heeft voorbeelden van algemene voorwaarden in het geding gebracht waarin een exoneratie voor gevolgschade is opgenomen. Het hof volgt het betoog van Byldis inhoudende dat in die voorwaarden telkens de term gevolgschade juist wel gedefinieerd wordt, zodat die voorbeelden bij de uitleg van het begrip “directe schade” in dit beding geen rol kunnen spelen niet. Beide partijen erkennen dat in commerciële contracten voor levering van zaken veelal de aansprakelijkheid voor gevolgschade wordt uitgesloten. Die achtergrond is bij de uitleg van de algemene voorwaarden van Eurogrit een relevante omstandigheid, aldus het hof. Het hof concludeert evenals de rechtbank dat Byldis de beperking van de aansprakelijkheid tot “directe schade” redelijkerwijs heeft moeten begrijpen als een uitsluiting van de aansprakelijkheid voor schade die niet in rechtstreeks causaal verband staat met de toerekenbare tekortkoming. Het beroep op art. 11 AV door Eurogrit slaagt.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7292

Ondanks dat geschetste gang van zaken niet valt te rijmen met uitgelezen voertuigdata dient Achmea over te gaan tot uitkering onder de verzekering

Appellant heeft bij zijn verzekeraar Achmea melding gemaakt van schade aan zijn auto. Achmea heeft geweigerd tot uitkering over te gaan, omdat zij onder andere stelt dat de diefstal niet aannemelijk is. Appellant vordert onder andere een verklaring voor recht dat Achmea tekort is geschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst en vordert een schadevergoeding van Achmea. De rechtbank heeft de vorderingen van appellant afgewezen. Het gerechtshof vangt zijn oordeel aan dat appellant op basis van de hoofdregel van art. 150 Rv dient te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting dient te bewijzen, dat de diefstal heeft plaatsgevonden. Aan het bewijs daarvan mogen echter geen al te zware eisen worden gesteld. Achmea stelt dat uit het onderzoek van Post-Crash Voertuig Diagnose is gebleken dat de gestelde diefstal ten minste 40 minuten in beslag zou hebben genomen. Omdat het op dat moment nog niet donker was, is het volgens Achmea ondenkbaar dat niemand de diefstal heeft opgemerkt. Tevens stelt Achmea dat appellant over het moment van ontdekking tegenstrijdig heeft verklaard en onvoldoende medewerking heeft verleend aan het door haar ingestelde onderzoek. Het hof oordeelt dat hoewel de door appellant geschetste gang van zaken vóór 20:00 uur niet valt te rijmen met de uitgelezen voertuigdata over het inschakelen van de motor, Achmea niet (voldoende) heeft toegelicht of en, zo ja, welke discrepanties er bestaan tussen de technische bevindingen van Post-Crash Voertuig Diagnose en de door appellant beschreven gang van zaken nadat hij de auto zou hebben geparkeerd. Wel wijst het hof er onder verwijzing naar de door Achmea genoemde data (tussen 20:15 uur en 21:00 uur) op dat de gestelde diefstal qua tijdstip, duur, locatie en omvang ervan onwaarschijnlijk voorkomt. Volgens het hof kan in een geval als dit niet van appellant worden gevergd dat hij over de precieze toedracht van de gestelde diefstal iets verklaart. Heimelijk door derden gepleegde feiten zijn namelijk volgens het hof vrijwel steeds omgeven door onduidelijkheden rond de precieze toedracht. Bovendien oordeelt het hof dat de verklaringen van appellant niet tegenstrijdig aan elkaar zijn, maar dat de latere verklaringen een precisering vormen van de eerste verklaring. Ten aanzien van het onderzoek van I-TEK heeft appellant verklaard dat hij zich in een bepaalde hoek gedrukt voelde worden, waardoor hij zijn medewering aan het onderzoek heeft gestaakt. Het hof overweegt dat indien appellant de handelswijze van I-TEK op een dergelijke wijze heeft ervaren zijn beslissing om geen toegang tot zijn telefoon te verlenen te begrijpen is. Los daarvan geldt dat Achmea naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom het voor haar in de gegeven omstandigheden zo belangrijk was om toegang tot de telefoon te krijgen. Al het voorgaande overziend, is het hof van oordeel dat uit de door appellant gestelde feiten, voldoende bewijs kan worden geput dat de diefstal heeft plaatsgevonden en dat zich dus een verzekerd voorval heeft voorgedaan. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2912

Rijschoolhouder aansprakelijk voor het zakken van een rijexamen?

Appellant heeft autorijlessen afgenomen bij geïntimeerde en is op enig moment gezakt voor zijn praktijkexamen. In het verslag van het praktijkexamen bij het CBR staat onder andere dat appellant veel moeite had met zijn motoriek. Appellant vordert een vergoeding van geïntimeerde van de kosten van de tussentijdse toets, de rijlessen en het rijexamen op grond van wanprestatie. Appellant heeft onder andere gesteld nog lang niet over de vereiste rijvaardigheid te beschikken die nodig was om voor het examen te kunnen slagen terwijl hij daarvoor wel door geïntimeerde is aangemeld. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat geïntimeerde oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van het rijexamen, namelijk niet met het doel om appellant te laten slagen. De kantonrechter heeft de vergoeding van de kosten van het rijexamen toegewezen en de overige kosten, waaronder de genoten rijlessen, afgewezen. Appellant heeft in hoger beroep gevorderd dat geïntimeerde alsnog wordt veroordeeld tot betaling van de overige kosten. In hoger beroep stelt appellant dat geïntimeerde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de rijlessen aan hem voort te zetten, wetende dat appellant zijn rijbewijs niet zou kunnen behalen. Van de rijschoolhouder mag volgens appellant worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden staakt en appellant behoedt voor extra onnodige kosten, nu geïntimeerde volgens appellant van mening was dat appellant niet geschikt was om het rijbewijs te halen. Geïntimeerde heeft aangegeven nooit te hebben gesteld dat bij appellant sprake was van een lichamelijke en/of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig. Het hof overweegt dat de stelling van appellant dat geïntimeerde wist dat appellant niet kan slagen voor het rijbewijs door geïntimeerde is betwist, niet (voldoende) nader is onderbouwd en ook niet ten bewijze is aangeboden. Zo is gesteld noch gebleken dat het CBR tot het oordeel is gekomen dat sprake was van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig, aldus het hof. Het hof wijst op een niet bestreden overweging van de kantonrechter waarin wordt overwogen dat de huidige rijschool –  ook na minimaal 30 lessen bij die rijschool en inmiddels 190 lessen bij drie verschillende rijscholen – vindt dat appellant nog niet klaar is voor een examen en dat appellant kennelijk voor het behalen van het rijexamen ruim meer dan het gemiddeld aantal lessen die er voor staan nodig heeft. Om diezelfde reden treft het door appellant aan geïntimeerde gemaakte verwijt dat deze hem als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot, vanwege zijn kennelijke ongeschiktheid daartoe niet langer rijlessen had mogen laten volgen en betalen, geen doel. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.