Aansprakelijkheid bestuurders bij faillissement niet naleving WOR-verplichtingen

In 2014 gaat het grootste kinderopvangbedrijf, Estro Groep, in Nederland failliet. Estro Groep is eigendom van de private equity-partij genaamd Providence. In 2010 hebben zij deze overname gerealiseerd. Het betrof een Leveraged buy-out, wat betekent dat de overname volledig werd gefinancierd door leningen. De helft werd geleend van Providence zelf en de andere helft door een consortium aan banken. Deze lening werd na de overname doorgeschoven naar Estro Groep zelf (toen nog genaamd Catalpa). Dit alles werd gedaan met het doel om een fiscaal voordelige structuur te realiseren. Maar toen de belastingdienst in 2014 besloot dit niet te accepteren, ging de onderneming al gauw failliet.

De curator van de failliete onderneming besloot een enquêteonderzoek in te stellen naar de gang van zaken in 2010. Hij wilde weten hoe het bestuur van Catalpa destijds akkoord kon gaan met het overnemen van de schulden ten behoeve van hun eigen overname. De bestuurders waren namelijk decharge verleend, waardoor zij niet aansprakelijk zouden zijn bij eventueel later vastgesteld onbehoorlijk bestuur.

Uit het enquêteonderzoek blijkt dat het bestuur op meerdere punten onbehoorlijk heeft bestuurd ten tijde van deze beslissing. Een van de belangrijkste overwegingen van de Ondernemingskamer was dat het bestuur niet of onvoldoende om advies heeft gevraagd bij de Centrale Ondernemingsraad (COR). Hoewel het bestuur twee adviesaanvragen heeft ingediend, bevatte deze aanvragen niet de informatie die benodigd was om een volledig beeld van alle risico’s die Catalpa nam te kunnen schetsen. Hierdoor kon de COR geen gewogen advies geven.

Dit, in combinatie met het feit dat de keuze om akkoord te gaan met een juridische fusie waar Catalpa enkel een schuld mee overnam zonder dat daar enige voordelen tegenover stonden, maakt dat de Ondernemingskamer spreekt van wanbeleid van zowel de bestuurders van Catalpa als de commissarissen van Providence. Echter, aangezien het bestuur niet uit eigen belang handelde en onder druk werd gezet door meerdere partijen, worden zij geen persoonlijk verwijt gemaakt. Dit geldt echter niet voor de commissarissen van Providence; zij worden allen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de onderzoekskosten ter hoogte van €220.044,50.

Hoewel de Ondernemingskamer in dit geval geen persoonlijke aansprakelijkheid uitspreekt ten aanzien van de bestuurders, op de proceskosten na, is dit wel een duidelijke waarschuwing aan het adres van bestuurders die het medezeggenschapstraject aan hun spreekwoordelijke laars lappen.

Lees hier de volledige uitspraak.