Een arrest van het Gerechtshof in ’s-Gravenhage van 12 mei 2006 heeft nogal wat beroering teweeg gebracht bij werkgevers, omdat daarin voor recht werd verklaard dat TPG Post (als werkgever) niet gerechtigd is de bekeuringen die haar chauffeurs tijdens de uitvoering van de werkzaamheden voor TPG Post voor (snelheids)overtredingen opgelegd krijgen, op deze werknemers te verhalen. Tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de desbetreffende werknemer.
Daarbij werd overwogen dat men in het verkeer gemakkelijk even iets te hard rijdt zonder dat er sprake is van opzet of bewust roekeloosheid. Ook zou het volgens het Hof kunnen voorkomen dat de verkeersituatie vereist dat men over een korte afstand iets te hard rijdt. Geoordeeld werd (een tikkeltje arbitrair) dat in zijn algemeenheid bij een snelheidsovertreding van maximaal 10 kilometer per uur (waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt), er geen sprake zal zijn van opzet of bewuste roekeloosheid. Bij een snelheidsovertreding van meer dan 10 kilometer per uur zou dit in beginsel wel het geval zijn, behoudens door de werknemer te stellen bijzondere omstandigheden.
Vandaag heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof echter vernietigd, waardoor duidelijk is geworden dat de werkgever in beginsel verkeersboetes toch op de werknemer kan verhalen. Ik gebruik hier ‘in beginsel’ omdat er altijd uitzonderingssituaties kunnen zijn, denk bijvoorbeeld aan een uitdrukkelijke opdracht die gegeven wordt aan de werknemer waarbij het van te voren al duidelijk is dat die opdracht nooit vervuld kan worden zonder dat de maximumsnelheid wordt overtreden.
De Hoge Raad geeft als motivering voor zijn beslissing dat, ook al wordt op basis van het feit dat het kenteken van de auto op naam van de werkgever staat en deze de boete dus formeel moet voldoen, het gaat om betaling voor een overtreding waaraan de werknemer zich schuldig heeft gemaakt. Volgens de Hoge Raad ligt het voor de hand om aan te nemen dat een dergelijke situatie afwijking van de hoofdregel rechtvaardigt (dat de werknemer niet aansprakelijk is voor schade van de werkgever, behoudens opzet of bewuste roekeloosheid) nu de wet zelf (artikel 7:661 BW) aangeeft dat uit de omstandigheden van het geval een afwijking van de hoofdregel kan voortvloeien.
Daarbij komt ook dat er een niet te verklaren onderscheid zou zijn tussen werknemers die een overtreding begaan in een auto van de werkgever en werknemers die een overtreding begaan in hun eigen auto maar ook ten behoeve van de werkgever aan het verkeer deelnemen. Deze laatste krijgen immers na een verkeersovertreding de boete thuis gestuurd, omdat het kenteken op hun naam staat en zij hebben in beginsel geen verhaal op de werkgever. Dergelijke verkeersboetes (voor snelheidsovertreding) zijn dan voor eigen rekening terwijl in de situatie dat het kenteken op naam van de werkgever staat de boete voor (lage) snelheids- overtredingen voor rekening van de werkgever zou zijn.
Met deze uitspraak is aan veel onzekerheid een eind gemaakt en wordt duidelijk dat de werknemer (toch) zelf gehouden is ook boetes voor kleine (snelheids)overtreding te betalen (althans, de werkgever heeft verhaal op de werknemer).


