Holla

Overplaatsing toegestaan

verhuisdoosEen 27-jarige vrouw is cliënt bij een Stichting voor Voorzieningen Lichamelijk Gehandicapten. Zij is lichamelijk en geestelijk gehandicapt en heeft het leeftijdsniveau van een 5- tot 6-jarige. Zij is verzorgingsafhankelijk en aangewezen op een elektrische rolstoel. Daarnaast is er een beperkt gezichtsvermogen. Een groot aantal jaren woont zij in een behandelcentrum voor meervoudig gehandicapte jongeren. Op enig moment hebben de ouders aangegeven dat naar hun mening de ontwikkeling van hun dochter stagneerde. Volgens hen ontving hun dochter binnen de instelling te weinig stimulans en prikkels om een optimale ontwikkeling te kunnen doormaken doordat de zorginstelling haar emotionele en cognitieve vermogens te laag inschat.

De discussie hierover blijft voortduren. Op enig moment stelt de Stichting voor, teneinde een nieuwe start te kunnen maken, om de ouders het voordeel van de twijfel te geven, en wordt besloten om de dochter voor een periode van een jaar in een andere woongroep te plaatsen waar wel voldoende sprake zou zijn van uitdaging en prikkels van leeftijdsgenoten. Afgesproken wordt dat tussentijds wordt geëvalueerd en indien op enig moment zou blijken dat het niet goed zou gaan, de dochter zou worden teruggeplaatst al voor dat het jaar verstreken zou zijn.

Uit de tussentijdse evaluaties en gesprekken blijkt dat de instelling van mening is dat de dochter niet op haar plaats zit. Na uitvoerig overleg en onderzoek door diverse hulpverleners besluit de Stichting om de woonfunctie te beëindigen. Zij zal worden teruggeplaatst naar de instelling waar zij eerder verbleef omdat die beter is uitgerust voor de specifieke hulpvraag. De ouders verzetten zich daartegen en dreigen met rechtsmaatregelen. Uit oogpunt van zorgvuldigheid laat de instelling het CCE (Centrum voor Consultatie en Expertise; in deze het hoogste adviesorgaan in ons land) een onderzoek doen naar de juiste woonvorm. Het oordeel van het CCE is dat het standpunt van de instelling juist is. Zulks wordt medegedeeld aan de ouders. De ouders dienen hierop een klacht in bij de Klachtencommissie. De instelling schort de overplaatsing op tot na de behandeling van de klacht. De Klachtencommissie verklaart de klacht ongegrond en is van mening dat de Stichting haar beslissing zorgvuldig heeft onderbouwd.

Hierop schakelt de advocaat van de cliënt een onafhankelijk deskundige in en verzoekt om de overplaatsing op te schorten. Dit laatste wordt door de instelling geweigerd waarna een kort geding wordt opgestart bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.

De juridische vraag die in deze moet worden beantwoord is of er een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen de instelling en dochter tot stand is gekomen zoals bedoeld in artikel 7:446 BW (Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst). Als dit het geval is, bepaalt artikel 7:460 BW dat alleen in geval van gewichtige redenen de overeenkomst mag worden beëindigd. Naar de mening van de Voorlopige Voorzieningrechter zijn deze gewichtige redenen aanwezig.

De stelling dat er sprake is van gewichtige redenen is door de Stichting onderbouwd met de overlegging van het advies van het CCE en verder is aangevoerd dat de cliënt kennelijk meer structuur nodig heeft dan de huidige locatie (gelet op de doelgroep waarop zij zich richten en de inrichting van de organisatie die daarop is afgestemd) kan bieden. De ouders hebben ter weerlegging van dit standpunt onderzoek laten doen door een onafhankelijk deskundige. Naar de mening van de Voorzieningenrechter bevat dit rapport echter grotendeels algemene beschouwingen en is vooral gericht op het afhouden van een plaatsing elders. Daartegenover staat dat de deskundige van het CCE, uitgebreid is ingegaan op de persoonlijkheid van de cliënt en haar mogelijkheden en beperkingen en concludeert dat een goede afstemming op de ondersteuningsvraag van cliënt eerder te verwachten is in een groepgerichte leefvoorziening voor mensen met een (matige) verstandelijke beperking; een woning waarin zij leeft met anderen, waar zij iets kan beleven, waar vanzelfsprekende gezamenlijke momenten, activiteiten en ondersteuning geboden kan worden.

Binnen de beperkingen van de kort gedingprocedure en rekening houdende met de professionele verantwoordingsplicht (stelplicht) van de Stichting, neemt de Voorzieningenrechter aan dat er inderdaad een gewichtige reden aanwezig is om het verblijf van de cliënt op de locatie te beëindigen. Dat betekent dat gezocht moet worden naar een woonomgeving waar de cliënt wel die zorg wordt geboden die zij nodig heeft en waarin zij het prettig vindt om te wonen. Welke woonomgeving dat moet zijn staat uiteraard niet vast. Daaruit volgt dat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd. De Stichting mag overgaan tot beëindigen van de zorg op de huidige locatie en tot overdracht naar een andere instelling al dan niet binnen haar samenwerkingsverband. De ouders worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Coen Verberne,
sectie gezondheidsrecht

Terug