Dit jaar heeft de Rechtbank ’s-Hertogenbosch een belangwekkende uitspraak gedaan.
De kwestie handelde om een vrouw, die ernstig letsel opgelopen had door een val uit een hangmat. De pilaar in haar tuin, waaraan zij de hangmat had bevestigd, brak af. Daardoor kwam zij ongelukkig ten val en liep een hoge dwarslaesie op. De vrouw was samen met haar echtgenoot bezitter van huis, tuin en pilaar.
De vrouw stelde haar echtgenoot (en hun aansprakelijkheidsverzekeraar) aansprakelijk op grond van artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek. Volgens dat artikel is de bezitter van een bouwwerk aansprakelijk als schade een gevolg is van een gebrek in dat bouwwerk.
De vrouw stelde dat de pilaar in strijd met bouwvoorschriften en met ongeschikt materieel was gebouwd. De verzekeraar verweerde zich en stelde dat de vrouw geen beroep kon doen op het hiervoor genoemde artikel omdat zij zelf medebezitter van het bouwwerk was.
De Rechtbank oordeelde dat de vrouw in beginsel terecht een beroep op dat artikel deed, maar dat dat slechts kan leiden tot aansprakelijkheid voor maximaal 50% van de schade omdat de vrouw als medebezitter 50% van de schade zelf dient te dragen.
In goed overleg hebben partijen sprongcassatie ingesteld: zij hebben zich gezamenlijk tot de Hoge Raad gewend met de vraag te beoordelen of de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd heeft.
De reden daarvoor is dat de kwestie voor verzekeraars van groot belang is. Tot nog toe gingen zij er van uit dat medebezitters elkaar niet aansprakelijk konden stellen op grond van artikel 6:174 BW. Daarop zijn dus ook de premies afgestemd. Als nu blijkt dat dit anders is, lopen verzekeraars aanzienlijk meer risico dan zij altijd gedacht hebben en hebben zij tot nog toe de premie te laag vastgesteld.
Het zal dus een schok in verzekeringsland zijn, als de Hoge Raad zal oordelen dat de Rechtbank gelijk heeft gehad. Ik houd u op de hoogte.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Willemijn Fick-Nolet, sectie AV&S (T: (073) 616 11 00, E: w.fick@holla.nl).


