Regelmatig komt het voor dat rechtszaken breed worden uitgemeten in de media. Zo ook de zaak tussen Louis Vuitton en de Deense kunstenares Nadia Plesner. Plesner maakte het schilderij ‘Darfurnica’ om aandacht te vragen voor de humanitaire ramp in Darfur. In dit schilderij heeft zij een Afrikaans jongetje afgebeeld met in zijn ene hand een chihuahua en in zijn andere hand een soort van Louis Vuitton tas. Plesner wil daarmee haar kritiek uiten over het feit dat nieuws over celebrities als Paris Hilton breed in de media wordt uitgemeten, maar met geen woord wordt gerept over de situatie in Darfur. Louis Vuitton was echter niet al te blij met de afbeelding van de designtas en stelt dat Plesner daarmee inbreuk maakt op haar intellectuele eigendomsrechten. De Haagse rechter heeft Plesner vervolgens verboden het kunstwerk nog te vertonen of te exposeren. Volgens de rechter maakt de afbeelding van het jongetje met de afgebeelde designtas inbreuk op de modelrechten van Louis Vuitton.
Niet alleen in de media heeft deze zaak veel aandacht gekregen. Ook onder juristen is de discussie opgelaaid over de vraag of het recht op vrijheid van meningsuiting wel moet wijken voor een intellectueel eigendomsrecht.
Het recht op vrijheid van meningsuiting is een grondrecht dat zowel in nationale- als internationale wetgeving als zodanig wordt erkend. Een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting is alleen toegestaan voor zover de beperking nodig is in een democratische samenleving. Ook intellectuele eigendomsrechten kunnen een beperking vormen op het recht op vrijheid van meningsuiting. Vraag is wel wanneer een beroep op dergelijke rechten noodzakelijk is.
In het merkenrecht kan een beroep op het recht op vrijheid van meningsuiting een geldige reden opleveren om gebruik te mogen maken van andermans merk. Van merkinbreuk is dan geen sprake. Ook niet als daardoor afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van of ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit het merk. De mogelijkheden om andermans merk te gebruiken met een beroep op een geldige reden zijn niet onbeperkt. In het geval gebruik van een (aangepaste versie van een) merk verwarring oplevert met het originele merk en hoofdzakelijk uit commercieel oogpunt wordt gebruikt, zal toch sprake zijn van merkinbreuk. Ook dient gebruik van een (persiflage op een) merk noodzakelijk te zijn om een mening te geven of kritiek te uiten. Zo zal het niet zijn toegestaan een bewerking van een merk te drukken op t-shirts bestemd voor de verkoop. De beroemde oudejaarsconference van Youp van ’t Hek waarbij hij het merk Buckler op de hak nam, zal wel toegestaan zijn. Wanneer het recht op vrijheid van meningsuiting een geldige reden oplevert om andermans merk te gebruiken hangt uiteindelijk sterk af van de concrete omstandigheden van het geval.
Ook in het auteursrecht is een vergelijkbare regeling te vinden, de zogenaamde parodie-exceptie. Normaal levert het overnemen van (een concreet deel van) een auteursrechtelijk beschermd werk inbreuk op. In het kader van een parodie is dit echter veelal toegestaan. Een beroep op het recht op vrijheid van meningsuiting wordt veelal onder deze parodie –exceptie geschaard. Er mag alleen niet meer van het beschermde werk worden overgenomen dan redelijkerwijs nodig is om de parodie te laten slagen. Om dat te beoordelen dient eveneens gekeken te worden naar de omstandigheden van het geval. Net als bij het merkenrecht zal een beroep op de parodie –exceptie niet slagen wanneer verwarring ontstaat met het originele werk en/of de parodie hoofdzakelijk een commercieel karakter heeft. Ook dient de parodie een parodie te zijn op het originele werk zelf en mag deze niet nodeloos afbreuk doen aan het origineel. Zo was een bewerking van het bekende konijn Nijntje genaamd ‘Lijntje’ toegestaan. De tekening was enkel vanuit humoristisch oogpunt getekend waarbij de teneur van de tekst en beeldelementen niet bij Nijntje hoorden.
Het modelrecht, waar Louis Vuitton zich in dit geschil op beroept, kent een dergelijke uitzondering niet. De vraag of Plesner zich kan beroepen op het recht op vrijheid van meningsuiting zal dan ook beantwoord moeten worden vanuit de vraag of het modelrecht hier een rechtsgeldige beperking vormt op het recht op vrijheid van meningsuiting. Daarbij zal een belangenafweging gemaakt dienen te worden tussen het belang van Plesner op artistieke vrijheid en het belang van Louis Vuitton om haar intellectuele eigendomsrechten te handhaven.
Nadia Plesner heeft inmiddels een kort geding aangespannen tegen Louis Vuitton en het eerdere verbod van de Haagse rechter. Het is nu aan de rechter (opnieuw) te beoordelen over deze toch gevoelige kwestie: het recht op vrijheid van meningsuiting vs. Intellectuele eigendomsrechten. Wordt vervolgd…
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Miranda Blankers
(T: 073 – 616 11 00, E: m.blankers@holla.nl) van de sectie Intellectueel Eigendom.


