Het komt geregeld voor dat een samenwerking tussen ondernemingen, nadat er lang en intensief onderhandeld is, toch geen doorgang vindt. Zeker in tijden van economische onzekerheid komt het voor dat een partij zich nog eens goed achter de oren krabt of de beoogde samenwerking wel wenselijk is.
Het afbreken van de onderhandelingen heeft tot veel juridische procedures geleid. Aanvankelijk werd aangenomen dat het onderhandelingsproces in drie fases was op te delen. In de eerste fase waren de onderhandelingen nog niet ver gevorderd: het afbreken van de onderhandelingen was geoorloofd. In de tweede fase was afbreken geoorloofd, mits de in het kader van de onderhandelingen gemaakte kosten zouden worden vergoed. In de derde fase was afbreken niet meer geoorloofd, zodat ook voor vergoeding van gederfde winst ruimte was. Dit ‘positieve contractsbelang’ is maar een enkele keer door een rechter toegewezen.
Met een arrest van de Hoge Raad in 2005 (HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467) is die “drie-fasenleer” genuanceerd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ieder der onderhandelende partijen in beginsel vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. De belangen van de “afbrekende” partij spelen dus ook wel degelijk een rol.
Die belangen kwamen bij een recente procedure voor de rechtbank Den Haag (3 juni 2009, JOR 2009/245) aan de orde. Partijen waren al geruime tijd met elkaar aan het onderhandelen over een vorm van samenwerking. De concept oprichtingsakte van de besloten vennootschap waarin geparticipeerd zou gaan worden lag al klaar en partijen hadden zelfs al een aanzienlijke garantiestelling afgegeven. Toch ging de samenwerking op het laatste moment niet door. De afbrekende partij gaf daarbij aan dat het besluit om niet verder te willen op de wijze als aanvankelijk beoogd, met name werd ingegeven door het feit dat de gegenereerde omzet achterbleef bij de verwachtingen, terwijl, gezien de steeds verslechterende economische omstandigheden, zeer kritisch werd aangekeken tegen de prestaties van de andere partij. Dit achterblijven van de gegenereerde omzet had tot gevolg dat de aanvankelijke uitgangspunten van de samenwerking niet meer behaald werden.
De rechtbank oordeelde allereerst dat er nog geen sprake was van een “perfecte” overeenkomst: Er was bijvoorbeeld nog geen ondernemingsplan en ook lagen zaken als het vergunningentraject, huisvesting, administratie/boekhouding en kantoorfaciliteiten nog ter invulling en besluitvorming voor.
Wel oordeelde de rechtbank dat partijen, gezien het vergevorderde stadium waarin de onderhandelingen zich verkeerden, er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat enigerlei samenwerking zou gaan ontstaan. Tóch oordeelde de rechtbank dat het de “afbrekende” partij vrij stond om - ondanks het gerechtvaardigde vertrouwen - af te zien van verdere activiteiten om de samenwerking gestalte te geven, gelet op de door haar aangegeven belangen.
Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een “perfecte’ overeenkomst, het onderhandelingstraject tot in detail wordt nageplozen. Ook blijkt dat bij de vraag of het afbreken van de onderhandelingen nog wel gerechtvaardigd is, gekeken wordt naar de belangen van beide partijen. In deze specifieke casus speelde het feit dat aanvankelijke gestelde bedrijfseconomische doelen niet meer behaald worden door de economische tegenwind, kennelijk een doorslaggevende rol en werd de afbrekende partij niet aansprakelijk gehouden.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Matthijs Gorgels van de sectie Ondernemingsrecht te 's-Hertogenbosch (T: (073) 616 11 07, E: m.gorgels@holla.nl).


