ex art. 1:88 lid 5 BW?
In deze zaak ging het om een Gedaagde (voor wie mr. Maarten van Ingen en mr. Willemijn Fick-Nolet optraden) die van de Ontvanger uitstel van betaling verkreeg onder voorwaarde dat hij privé een borgtocht afgaf. Voor die afgifte van die borgtocht had zijn toenmalige echtgenote geen toestemming verleend. Vraag was of de borgtocht om die reden door Gedaagde terecht vernietigd was en de Ontvanger dus de borgtocht niet kon uitwinnen.
De Rechtbank te 's-Hertogenbosch oordeelde in haar uitspraak van 13 mei 2009, LJN: BI3621, dat dat inderdaad het geval was.
Bij tussenvonnis van 25 juni 2008 heeft de rechtbank eerst bepaald dat partijen (Ontvanger en Gedaagde) zich onder meer nader dienen uit te laten omtrent de relevante feiten en omstandigheden die van belang zijn voor beantwoording van de vraag “of het uitstel van betaling van belastingschulden is verleend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van deze vennootschappen” (in dat geval zou toestemming van de echtgenote nl. niet nodig zijn). Op grond van de nader door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden gaat de rechtbank bij haar eindvonnis van 13 mei jl. in op voornoemde vraag.
De “concrete” bedrijfsvoering
Anders dan de Ontvanger heeft doen betogen komt het er bij de beoordeling van de vraag of de rechtshandeling (ter zake waarvan zekerheid is gesteld) is verricht ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf op aan, of de rechtshandeling kan worden gezien als passend in het kader van de normale uitoefening van het bedrijf zoals dat door de betrokken vennootschappen wordt gedreven. Dat volgt uit de bewoordingen van de wet die nadrukkelijk spreekt over “het bedrijf van die vennootschap” terwijl een dergelijke uitleg ook past binnen de door de Hoge Raad meermalen tot uitgangspunt genomen restrictieve interpretatie van de in artikel 1:88 lid 5 BW opgenomen uitzondering op het in lid 1 van dat artikel neergelegde beschermingsbeginsel.
Uit de door partijen aangehaalde arresten van de Hoge Raad kan geen steun worden geput voor het standpunt van de Ontvanger dat bij de beoordeling van die vraag geabstraheerd dient te worden van de concrete bedrijfsvoering en de in dat verband aan de orde zijnde concrete omstandigheden van het geval. De rechtbank ziet in hetgeen de Ontvanger heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op het eerder door haar in het tussenvonnis van 25 juni 2008 tot uitgangspunt genomen standpunt. Dat komt er op neer dat de concrete omstandigheden van het geval van doorslaggevend belang zijn voor het antwoord op de vraag of de borgstelling van Gedaagde voldoet aan het vereiste van artikel 1:88 lid 5 BW dat zij is geschied ‘ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap’.
Past betaling van rijksbelastingen binnen de normale bedrijfsuitoefening?
De vraag of het betalen van rijksbelastingen in zijn algemeenheid dient te worden gezien als behorende tot de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap kan – daargelaten of het stellen van zekerheid voor die verplichting reeds daarom ook in dat kader past – in het midden blijven, nu het in de onderhavige zaak immers niet gaat om het nakomen van reguliere fiscale (betalings-)verplichtingen maar om een afspraak tussen de betrokken vennootschappen enerzijds en de Ontvanger anderzijds die er toe strekte dat de betrokken vennootschappen uitstel kregen van hun op dat moment achterstallige betalingsverplichtingen, in welk kader Gedaagde zich persoonlijk als borg heeft verbonden. Deze afspraak (rechtshandeling) staat centraal bij de beoordeling of zij is verricht ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de betrokken vennootschappen.
Past uitstel van betaling van rijksbelastingen binnen de normale bedrijfsuitoefening?
Uitgangspunt bij fiscale verplichtingen is dat zij steeds tijdig, binnen de specifiek door de wet of de aanslag aangegeven termijn worden voldaan tenzij zich redenen voordoen om – op verzoek van de belastingplichtige dan wel ambtshalve – uitstel van betaling te verlenen, hetgeen evenwel uitzondering is en geen regel. Voor zover de Ontvanger bedoeld heeft te stellen dat dat anders is, wordt die stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd, nu uit het enkele feit dat per jaar met zo’n 30.000 ondernemingen betalingsregelingen worden getroffen op zichzelf niet volgt dat voor het betalen van belastingen in de regel uitstel wordt verleend.
Daar kan verder nog bij worden aangetekend dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat het vragen van uitstel van betaling voor belastingschulden voor veel bedrijven als een normale bedrijfsactiviteit kan worden beschouwd, zulks nog niet met zich brengt dat reeds daarom het uitstel van betaling ook in het onderhavige geval als een rechtshandeling ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de betrokken vennootschappen moet worden gezien, aangezien dit immers, gelijk eerder overwogen, afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval.
Uit de door de Ontvanger genoemde feiten en omstandigheden waaronder hij in december 2002 uitstel van betaling heeft verleend (tijdelijke betalingsnood, tegen zekerheidstelling, uitstel fungeerde als krediet waarmee bedrijfsvoering kon worden voortgezet, perspectief op termijn, gezonde cashflow) volgt (ook in onderling verband bezien) op zichzelf nog niet dat het uitstel past in het kader van de normale bedrijfsvoering, dit gegeven de oorzaak van het verzoek om uitstel, te weten financiële nood welke kennelijk niet gelenigd kon worden middels een reguliere bancaire financiering. Indien de onderneming immers in de ogen van de Ontvanger kredietwaardig (genoeg) was bevonden om in aanmerking te komen voor bancaire financiering ter leniging van de (tijdelijke) nood dan valt aan te nemen dat de Ontvanger gebruik had gemaakt van de hierop toegespitste (imperatieve) weigeringsgrond. Het uitstel van betaling om reden van betalingsmoeilijkheden wordt juist verleend in een situatie waarin alternatieve (bancaire) financiering niet mogelijk is.
Dat de situatie van de onderneming ook naar het oordeel van de Ontvanger niet van risico’s ontbloot was volgt uit het gegeven dat de Ontvanger slechts onder voorwaarde van het stellen van zekerheid in uitstel van betaling heeft willen bewilligen. Met het oog op het aan artikel 1:88 lid 1 BW ten grondslag liggende belang van de gezinsbescherming benodigde deze zekerheid, gelet op de vorm waarin deze werd aangeboden (en aanvaard), de toestemming van diens toenmalige echtgenote, van welk feit de Ontvanger, zo blijkt uit diens brief van 5 december 2002 zich ook heel wel bewust is geweest.
Vonnis
Gezien hetgeen hiervoor en in het tussenvonnis van 25 juni 2008 is overwogen concludeert de rechtbank dat de borgtocht waarop de Ontvanger zijn vorderingen baseert rechtsgeldig is vernietigd als gevolg van het (tijdig ingeroepen) ontbreken van de toestemming van de echtgenote van Gedaagde zodat deze vorderingen moeten worden afgewezen.
Rb. ’s-Hertogenbosch 13 mei 2009, LJN: BI3621
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
mr. Willemijn Fick-Nolet (T: (073) 616 11 00, E: w.fick@holla.nl)
mr. Maarten van Ingen (T: (073) 616 1100, E: m.vaningen@holla.nl)
mr. Reinoud van Oeijen (T: (040) 238 06 45, E: r.vanoeijen@holla.nl)


