De tegenstrijdig belang-problematiek is door een recente uitspraak van onze hoogste rechter, de Hoge Raad, weer volop in ontwikkeling. Een eenvoudig voorbeeld van tegenstrijdig belang is de DGA (directeur/grootaandeelhouder) die de auto van zijn BV wil overnemen. Als bestuurder van de BV heeft hij belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst. Als privépersoon/koper van de auto heeft hij belang bij een zo laag mogelijke koopprijs. Een spannender variant is een groep van vennootschappen waar telkens dezelfde partij bestuurder is. Wanneer die concernvennootschappen met elkaar zaken doen of zich voor elkaar sterk moeten maken jegens een derde (bijvoorbeeld een bank) kan sprake zijn van tegenstrijdig belang. Een nog spannender variant is wanneer verschillende vennootschappen van een concern elk onderdelen als eindproduct fabriceren, welke onderdelen aan het eind van de fabricage een complete vrachtwagentrailer opleveren. De vraag is dan waar de winst uit de onderlinge leveranties moet vallen. Elke vennootschap afzonderlijk zal voor de eigen winst gaan, maar het kan een concernbelang zijn om de winst geheel of grotendeels in de ene of in de andere (buitenlandse) vennootschap te laten vallen.
De wet bepaalt dat de vennootschap in geval van tegenstrijdig belang vertegenwoordigd wordt door de commissarissen tenzij de statuten anders bepalen. In statuten staat meestal een bepaling met de strekking dat een bestuurder de vennootschap ook in geval van tegenstrijdig belang vertegenwoordigt. Daarnaast blijft de algemene vergadering van aandeelhouders bevoegd om een partij aan te wijzen om de vennootschap te vertegenwoordigen bij tegenstrijdig belang. De Hoge Raad oordeelde eerder al dat handelen in strijd met de wet leidt tot vertegenwoordigingsonbevoegdheid en dat een aanwijzingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders uitdrukkelijk en schriftelijk moest zijn genomen. Deze jurisprudentie bood curatoren in faillissement de mogelijkheid om voor de boedel nadelige transacties terug te draaien. Immers, is er geen formeel aanwijzingsbesluit dan staat daarmee de nietigheid van de rechtshandeling vast.
Bovast arrest
In het recente arrest van oktober 2009 (‘Bovast’) geeft de Hoge Raad ondernemers de kans om tegenbewijs te leveren. In die zaak mocht er op grond van de omstandigheden van uitgegaan worden dat er een impliciet aanwijzingsbesluit was. De betreffende handeling was dus niet nietig en de transactie bleef gewoon in stand. Kortom, ook wanneer er geen expliciet aanwijzingsbesluit is, wil dat niet onmiddellijk zeggen dat alles verloren is. Het loont dan ook de moeite in voorkomend geval – of al eerder! - naar uw juridisch adviseur te gaan.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Frederik Moorman van Kappen (T. 040-2380612, E. f.moormanvankappen@holla.nl).


