Op 1 juli 2009 is de Vierde Tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden. Met deze wetswijziging werd een regeling van de inning van bestuursrechtelijke geldschulden aan de Awb toegevoegd. Ook werd een aantal belangrijke wijzigingen aangebracht in de regeling van de bestuursrechtelijke last onder dwangsom. Een aantal daarvan is van groot belang voor het traject dat na het besluit volgt waarbij de dwangsom is opgelegd.
Indien een bestuursorgaan een last onder dwangsom heeft opgelegd, en de overtredingen waarvoor de last is opgelegd duren na de begunstigingstermijn - de termijn die de overtreder krijgt om de overtreding(en) te beëindigen - voort of worden herhaald, ontstaat automatisch de verplichting om de opgelegde dwangsommen binnen zes weken te betalen (artikel 5:33 Awb). Dat wordt de verbeurte dan dwangsommen genoemd. Het bestuursorgaan moet beslissen of de dwangsommen die van rechtswege zijn verbeurd, ook worden ingevorderd. Onder het nieuwe recht is dat een besluit geworden, waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat (artikel 5:37 Awb). Ook derden, bijvoorbeeld de buurman of concurrent die het bestuursorgaan tot het opleggen van het dwangsombesluit heeft bewogen, kunnen om dat besluit vragen. Onder het oude recht was deze beslissing geen besluit en stond daartegen geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open.
Nadat het bestuursorgaan heeft besloten om de verbeurde dwangsommen ook in te vorderen, kan het bestuursorgaan, indien de overtreder deze dwangsommen ook na een aanmaning (artikel 4:112 Awb) niet betaalt, beslissen om een dwangbevel uit te vaardigen: een schriftelijk bevel om de verschuldigde dwangsommen te betalen (artikel 5:10, tweede lid, jo. 4:114 Awb). Met het dwangbevel worden dwangmaatregelen mogelijk om de dwangsommen te krijgen. Onder het oude recht kon met een bijzonder rechtsmiddel, het verzet tegen het dwangbevel door middel van het dagvaarden van de overheid die het dwangbevel had uitgevaardigd, worden bereikt dat de inning werd opgeschort omdat dat verzet van rechtswege schorsende werking had. Deze automatische schorsende werking is vervallen onder het nieuwe recht.
In verband met deze verschillen tussen het oude en nieuwe recht, is het van belang om vast te stellen wanneer het oude recht komt te vervallen en het nieuwe recht van toepassing is. De wetgever heeft twee relevante overgangsbepalingen opgenomen. Op grond van de eerste bepaling (artikel III) geldt de nieuwe regeling van de inning van bestuursrechtelijke geldschulden voor verplichtingen tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan die is vastgesteld of ontstaan 1 juli 2009. Op grond van de tweede bepaling (artikel IV) geldt het nieuwe recht alleen voor sanctiebesluiten die zijn genomen voor overtredingen die op of na 1 juli 2009 hebben plaatsgevonden.
Voor de volgende twee situaties is het overgangsrecht bij dwangsombesluiten niet meteen duidelijk, omdat als het ware gekozen lijkt te moeten worden tussen twee overgangsbepalingen:
I. Voor een overtreding die plaatsvond vóór 1 juli 2009 wordt voor 1 juli 2009 een last
onder dwangsom opgelegd. Na 1 juli 2009 verbeurt de dwangsom van
rechtswege.
II. Voor een overtreding die plaatsvond vóór 1 juli 2009 wordt kort na 1 juli 2009 een
last onder dwangsom opgelegd. Vervolgens verbeuren deze dwangsommen.
Met het verbeuren van de dwangsom ontstaat de verplichting tot betaling. Gedacht
zou kunnen worden dat de nieuwe regeling van de inning van bestuursrechtelijke
geldschulden voor beide situaties geldt.
Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in een uitspraak van 13 januari 2010 (LJN BL4420) duidelijkheid geschapen over het overgangsrecht, en moet worden vastgesteld dat de zojuist genoemde gedachte onjuist is. Bij dwangsommen (en dat zal ook gelden voor bestuursdwang voor wat betreft het kostenverhaal en de bestuurlijke boete) geldt dat het nieuwe recht, inclusief de regels over de invordering van de verbeurde dwangsommen, alsmede de overheveling van een deel van de rechtsbescherming vanuit het civiele recht naar het bestuursrecht, pas van toepassing is indien de last onder dwangsom is opgelegd voor overtreding die is begaan op of na 1 juli 2009.
In de genoemde uitspraak overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak het volgende:
`Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche Awb is op de overtreding het recht van
toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip. Volgens de Memorie van Toelichting op dat
artikel (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 165) is de daarin opgenomen
regeling slechts van toepassing op overtredingen die plaatsvinden na de
inwerkingtreding van die wet omdat, voor zover thans van belang, voor
herstelsancties het praktischer is dat in een lopend handhavingsproces het oude recht
van toepassing blijft. Gelet op artikel IV van de Vierde tranche, gelezen in samenhang
met voormelde passage, blijft ook ten aanzien van de brieven waarbij het dagelijks
bestuur heeft besloten tot invordering van de door [appellant] verbeurde
dwangsommen over te gaan, het recht van toepassing zoals dat tot 1 juli 2009 gold.
Artikel 5:37, eerste lid, en artikel 5:39, eerste lid, van de Awb zijn daarop niet van
toepassing, zodat de Afdeling niet bevoegd is om de bezwaren van [appellant] te
betrekken bij het hoger beroep dat betrekking heeft op het besluit van 26 september
2009. De burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van geschillen omtrent de
invorderingen van dwangsommen die worden verbeurd ten gevolge van dat besluit,
gelezen in samenhang met het besluit van 18 maart 2009.’
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 december 2009, LJN BK6758 over (de kosten van) bestuursdwang en die van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 17 november 2009, LJN BK4311. In haar uitspraak van 24 maart 2010, LJN BL8678 bevestigde de Afdeling haar zojuist genoemde uitspraak van 13 janauri 2010 nog eens uitdrukkelijk.
Wilt u meer weten? Neemt u dan contact op met mr. Oswald Jansen, vestiging ’s-Hertogenbosch (T: (073) 616 11 37, E: o.jansen@holla.nl).


