Een opdrachtnemer die voor een opdrachtgever een logo, reclamemateriaal of een huisstijl ontwerpt. Of een opdrachtgever die een freelancer een werk laat maken. Wie is in dat geval de auteursrechthebbende? Wanneer hierover discussie ontstaat, zal zowel de opdrachtnemer als de opdrachtgever de auteursrechten claimen. De opdrachtnemer wil het auteursrecht hebben, zodat hij het werk ook aan anderen kan verkopen. De opdrachtgever wil auteursrechthebbende zijn omdat hij het voor hem ontworpen logo of de huisstijl wil kunnen gebruiken voor zijn bedrijf.
Art. 8 Auteurswet: een uitzondering op de hoofdregel
De hoofdregel is dat als partijen niets anders zijn overeengekomen het auteursrecht toekomt aan de feitelijke maker van het werk. De opdrachtnemer dus. Op dit uitgangspunt bestaat een aantal uitzonderingen. Een van die uitzonderingen is opgenomen in art. 8 Auteurswet (Aw). Artikel 8 Aw bepaalt dat wanneer een openbare instelling, een vereniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij enig natuurlijk persoon als maker ervan te vermelden, zij als de maker van dat werk wordt aangemerkt, tenzij bewezen wordt dat de openbaarmaking onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig was.
Openbaarmaking
Art. 8 Aw is van toepassing als de opdrachtgever het werk openbaar maakt zonder daarbij de naam van de feitelijke maker (de opdrachtnemer) te vermelden. Bij die openbaarmaking gaat het om de eerste openbaarmaking door de opdrachtgever. Wanneer de opdrachtnemer weet aan te tonen dat hij, en dus niet de opdrachtgever, als eerste het werk openbaar gemaakt heeft, dan kan de opdrachtgever geen beroep doen op art. 8 Aw. De opdrachtnemer behoudt dan de auteursrechten. Onder openbaar maken verstaat men het voor een zeker publiek toegankelijk maken van het werk. De presentatie van het werk door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever is niet voldoende. Het werk moet voor een breder publiek toegankelijk zijn gemaakt.
Naamsvermelding feitelijke maker
Art. 8 Aw is niet van toepassing als de naam van de werkelijke maker (een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, bijvoorbeeld een reclamebureau) op het werk is vermeld. In dat geval blijft de feitelijke maker auteursrechthebbende. Vermelding van de initialen van de maker of een pseudoniem kan voldoende zijn. Het is niet nodig dat de naam van de maker daadwerkelijk op het werk is geplaatst; de (mondelinge) vermelding van feitelijke maker bij de openbaarmaking, bijvoorbeeld in een toespraak, is genoeg. Ook als naast de naam van de opdrachtgever de naam van de feitelijke maker op het werk is genoemd, geldt art. 8 Aw niet en blijven de auteursrechten bij de opdrachtnemer.
Openbaarmaking rechtmatig?
Alleen wanneer sprake is van een rechtmatige openbaarmaking door de opdrachtgever, kan de opdrachtgever op basis van artikel 8 Aw het auteursrecht verwerven. De openbaarmaking door de opdrachtgever is rechtmatig als de feitelijke maker niet kan aantonen dat hij zich het auteursrecht heeft voorbehouden. Als de opdrachtnemer kan bewijzen dat de opdrachtgever het werk niet openbaar mocht maken of dat hij bij de openbaarmaking de naam van de opdrachtnemer had moeten vermelden, heeft de opdrachtgever niet de auteursrechten op het werk.
Art. 8 Aw in de praktijk
Art. 8 Aw kan onder meer van toepassing zijn bij het werk van tekstschrijvers, vertalers, reclamebureaus en ontwerpbureaus. Opdrachtgevers en opdrachtnemers maken vaak geen afspraken over de auteursrechten. Zij zijn ook lang niet altijd bekend met art. 8 Aw. Meestal komt dit artikel pas aan de orde, als er tussen partijen een conflict ontstaat. Wie auteursrechthebbende is, hangt dan meestal af van het al dan niet vermelden van de opdrachtnemer als maker van het werk. Omdat dit hierover vaak geen bewuste keuze is gemaakt, kunnen ongewenste situaties ontstaan.
De naamsvermelding bepaalt dus vaak wie op grond van art. 8 Aw als de maker van het werk wordt aangemerkt. Wanneer de naam van de feitelijke maker niet op het werk vermeld is, zal dit over het algemeen betekenen dat het werk als van de opdrachtgever afkomstig openbaar is gemaakt. Als de opdrachtnemer geen afspraken maakt met de opdrachtgever over de auteursrechten, dan is hij dus zijn auteursrechten kwijt. Een opdrachtnemer doet er dan ook verstandig aan dit te voorkomen en afspraken te maken over de auteursrechten op het door hem vervaardigde werk.
Aanvullend recht
Art. 8 Aw is van aanvullend recht. Dit betekent dat partijen van dit artikel kunnen afwijken. Als partijen een afwijkende regeling overeenkomen, is het artikel niet van toepassing. Als de opdrachtnemer niets afwijkends afspreekt met de opdrachtgever en geen bezwaar maakt tegen het niet vermelden van zijn naam bij het werk, raakt hij in principe zijn auteursrechten kwijt.
Afwijken van art. 8 Aw kan op verschillende manieren. Men kan bij overeenkomst afwijken van art. 8 Aw, maar ook in algemene voorwaarden kan iets anders worden overeengekomen.. Ontwerpers kunnen gebruik maken van de algemene voorwaarden van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers (BNO). Artikel 4 lid 1 van deze voorwaarden luidt:
“Tenzij anders overeengekomen, komen alle uit de opdracht voortkomende rechten van intellectuele eigendom – waaronder het octrooirecht, het modelrecht en het auteursrecht – toe aan de opdrachtnemer. Voorzover een dergelijk recht slechts verkregen kan worden door een depot of registratie, is uitsluitend de opdrachtnemer daartoe bevoegd.” Wanneer deze BNO-voorwaarden tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer van toepassing zijn, is art. 8 Aw uitgesloten omdat partijen expliciet zijn overeengekomen dat het auteursrecht bij de opdrachtnemer berust.
Voor de opdrachtnemer
Wanneer de opdrachtnemer wil dat het door hem ontworpen werk door de opdrachtgever niet verder wordt gebruikt, moet hij in een overeenkomst of in zijn algemene voorwaarden – die partijen van toepassing verklaren op hun relatie – afwijken van art. 8 Aw. Dit kan door in de overeenkomst of in de algemene voorwaarden op te nemen dat de auteursrechten die ontstaan bij het uitvoeren van de opdracht toekomen aan de opdrachtnemer.
Voor de opdrachtgever
Omdat het voor de opdrachtgever uiteraard het meest praktisch is als het auteursrecht op bijvoorbeeld een logo, een huisstijl of reclamemateriaal aan hem toekomt, is het voor de opdrachtgever aan te raden in een schriftelijke overeenkomst op te nemen dat het auteursrecht aan hem wordt overgedragen. De opdrachtgever kan echter ook auteursrechthebbende worden als hij het werk met toestemming van de opdrachtnemer openbaar maakt zonder de naam van de opdrachtnemer te vermelden.
Meer informatie: mr. Floor de Roos (T: 073 – 616 11 00; E: fderoos@holla.nl)


