Holla

Hof Den Bosch aanvaardt aansprakelijkheid in sport- en spelsituatie

Op 30 oktober 2007 heeft het Hof Den Bosch uitspraak gedaan in een zaak, waarin
het Hof aansprakelijkheid in het kader van een sport- en spelsituatie aanvaart.
A en B namen op 26 juni 2002 deel aan een door de personeelsvereniging van hun werkgever georganiseerde fietstoertocht van 180 km. De tocht vond buiten werktijd, op vrijwillige basis plaats. De groep fietsers telde 23 personen en er werd twee aan twee gereden met een snelheid van ca. 25-30 km/u. A reed in koppositie. Op enig moment (na ongeveer 60 km fietsen) wilde A zijn positie als koprijder staken, waarna hij zijn benen heeft stilgehouden met de kennelijke bedoeling om zich af te laten zakken zodat iemand anders zijn positie kon overnemen. Een en ander had tot gevolg dat het tempo van A drastisch terugliep, waardoor de recht achter hem rijdende fietser in de problemen geraakte. Deze fietser trachtte A te ontwijken en begon daar bij te slingeren. Daarop werd deze persoon geraakt door de recht achter hem fietsende persoon, die samen met de naast deze persoon fietsende B ten val kwam. B heeft door dit ongeval (letsel)schade opgelopen.

B heeft A aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van A heeft aansprakelijkheid afgewezen, waarna B de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldigheid en heeft aansprakelijkheid aan de zijde van A afgewezen. B is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan.

Het Hof oordeelt dat wél sprake is geweest van onzorgvuldigheid en heeft aansprakelijkheid aangenomen. Daartoe overweegt het Hof dat de wijze waarop A zijn koppositie wilde opgeven niet kan worden gekwalificeerd als normaal, bij de toerfietssport behorend gedrag. De overige fietsers hoefden dit gedrag niet te verwachten. Het zich plotseling in snelheid laten terugvallen door A door ineens zijn benen stil te houden, zonder zich er eerst van te vergewissen of dat zonder gevaar voor de achterliggers kon, was een bewuste gedraging – waarmee uiteraard niet bedoeld is dat A schade opzettelijk zou hebben toegebracht – en een gedraging die zonder enig bezwaar ook anders en met minder risico voor de achterliggers had kunnen worden uitgevoerd, aldus het Hof. A had zijn gedraging vanwege de daaraan verbonden risico’s achterwege behoren te laten, omdat hij zich als ervaren toerfietser had moeten realiseren dat indien hij zijn benen bij de heersende tegenwind zou stilhouden, zijn snelheid abrupt zou teruglopen en dat hij vlak achter zich toerrijders had die met elkaar in gesprek waren en die mede door opkomende vermoeidheid en verminderde concentratie er wellicht niet adequaat op zijn manoeuvre zouden reageren. Een en ander brengt naar het oordeel van het Hof mee dat in de gegeven omstandigheden van dit geval het gedrag van A als onnodig gevaarlijk, onzorgvuldig en mitsdien onrechtmatig jegens B moet worden aangemerkt.

mw. mr. M. Hulstein (T: 040-2380611; E: mhulstein@holla.nl)
Bossche Balie Bulletin – november 2007

Terug