Wanneer partijen een overeenkomst sluiten, gaan daar vaak uitgebreide onderhandelingen aan vooraf. De inhoud van de overeenkomst wordt in onderling overleg opgesteld en goedgekeurd door de contractspartijen wanneer zij van mening zijn alles duidelijk geregeld te hebben.
Dat die duidelijkheid te wensen over kan laten blijkt wanneer een geschil tussen de partijen ontstaat en de rechter er aan te pas moet komen om te oordelen over de vraag wat partijen precies overeengekomen zijn.
De rechter kan een overeenkomst taalkundig heel letterlijk uitleggen door dicht bij de tekst van de bepaling te blijven en zo vaststellen wat partijen objectief overeengekomen zijn. Dat gebeurt vooral wanneer bij de overeenkomst meerdere partijen betrokken zijn, ook derden die niet betrokken waren bij het sluiten daarvan, bijvoorbeeld bij CAO’s.
De rechter kan ook proberen vast te stellen wat partijen bedoeld hebben bij het formuleren van de onduidelijk gebleken bepaling. Deze meer subjectieve uitleg speelt bijvoorbeeld wanneer de partijen de overeenkomst interpreteren op manieren die diametraal tegenover elkaar (lijken te) staan. De partijen moeten dan feiten en omstandigheden stellen en bewijzen die hun lezing van de uitleg ondersteunt en duidelijk maakt dat de uitleg zoals de andere partij die voorstaat bij het sluiten van het contract niet bedoeld is.
De redelijkheid en de billijkheid spelen hierbij een grote rol. Dit is onbegrijpelijk voor contractspartijen met een Angelsaksisch rechtsstelsel, waar alleen de inhoud van het contract bepalend is voor de rechten en verplichtingen van partijen. Engelsen en Amerikanen staan dan ook vaak gek te kijken wanneer een contract waarbij zij partij zijn en waarin zij meenden alles duidelijk te hebben geregeld – het is niet voor niets dat we daar vuistdikke contracten tegenkomen! – door de Nederlandse rechter uitgelegd wordt onder verwijzing naar allerlei feiten, omstandigheden en de bedoeling van partijen, op een voor hen onbegrijpelijke manier.
Uit de jurisprudentie blijkt dat van tevoren moeilijk aan te geven is hoe een rechter een contract(sbepaling) uit zal leggen. Daarom is er des te meer reden om bij het sluiten van overeenkomsten of onzekerheid over bepaalde bepalingen (bijvoorbeeld exoneraties) deskundig advies in te winnen, opdat men uiteindelijk bij onduidelijkheid over de uitleg van het contract niet geconfronteerd wordt met rechten of verplichtingen die men niet bedoeld had in de overeenkomst op te nemen.
Verlies van een dierbare door schuld van een derde: evenmin Amerikaanse toestanden!
Op grond van Nederlands recht heeft een nabestaande (anders dan bijvoorbeeld in Engeland en Duitsland) geen enkel recht op vergoeding van leed en verdriet wanneer hun dierbare door schuld van een derde is overleden.
Over dit wrange gegeven wordt in Nederland al zo’n 8 jaar gediscussieerd. Aanleiding was het zgn. Taxibus-arrest uit 2002, waarin de Hoge Raad voor het eerst een vergoeding toekende aan de moeder die geconfronteerd werd met de afschuwelijke gevolgen van het overrijden door een Taxibusje van haar kind. De vergoeding werd toegekend i.v.m. shockschade: de schade die de moeder leed door de directe confrontatie met de gevolgen van het ongeval. De Hoge Raad stelde als vereiste dat de moeder direct geconfronteerd was met de gevolgen en zich vanwege deze shock onder (psychiatrische) behandeling had moeten stellen. Verdriet vanwege het verlies van het kind, zgn. affectieschade, kwam niet voor vergoeding in aanmerking.
Het verschil tussen de beide schadesoorten shock- en affectieschade, blijkt in de praktijk moeilijk te maken en heeft tot ingewikkelde procedures geleid. Om duidelijkheid in deze kwestie te krijgen heeft een aantal vooraanstaande rechtswetenschappers onderzoek gedaan naar de vraag of gezinsleden (en andere nabestaanden) van (ernstig gewonde of overleden) slachtoffers behoefte hadden aan een vergoeding van affectieschade. De uitkomst was dat die behoefte bestaat, mits de vergoeding op een uiterst zorgvuldige en doordachte wijze wordt aangeboden. Dan kan de vergoeding zijn doel, erkenning van de fout van de dader en het leed van de nabestaanden, bereiken.
Vervolgens is een Wetsvoorstel Affectieschade voorbereid. Nadat het in 2003 bij de Tweede Kamer is ingediend, werd jarenlang gediscussieerd over vragen als die of vaste genormeerde bedragen opgenomen moesten worden en hoe groot de kring van gerechtigden zou moeten zijn? Uiteindelijk werd het voorstel met algemene stemmen aangenomen. In maart 2010 ging het echter bij de Eerste Kamer mis en werd het wetsvoorstel verworpen.
Het probleem is dat rechters in de afgelopen 8 jaar in afwachting van de Wet Affectieschade hier niet op hebben willen anticiperen en zodoende veel nabestaanden met lege handen achter zijn gebleven. De partijen die zich inzetten voor het wetsvoorstel, zoals Slachtofferhulp Nederland, de ANWB, de vereniging van Letselschadeadvocaten vinden dat er toch iets moet gebeuren en zijn in gesprek met verzekeraars of er niet toch een regeling voor affectieschade na overlijden opgesteld kan worden. Wordt vervolgd.
Voor meer informatie over contractenrecht, aansprakelijkheid, verzekeringen en schade kunt u contact opnemen met mr. Hannelot van Berckel (T. 040 – 238 06 23; E. h.vanberckel@holla.nl).


