De crisis duurt al jaren, vele faillissementen zijn inmiddels uitgesproken en de bedrijven die nog wel het hoofd boven water kunnen houden, krijgen daarmee steeds meer moeite.
In dat kader wil ik u graag wijzen op de consequenties van een uitspraak van de Hoge Raad inzake bestuurdersaansprakelijkheid.
Het ging om een bestuurder van een B.V. die gesprekken voerde met een bank over voortzetting van de kredietfaciliteiten van de B.V. De bank wilde dat alleen als aflossing op het openstaande saldo zou plaatsvinden. De bestuurder vertelde de bank dat de B.V. een vordering had op een derde van bijna € 1 miljoen en beloofde dat met dat van deze derde te ontvangen bedrag op het openstaande banksaldo zou worden afgelost. Maar toen de B.V. eenmaal van de derde het bewuste bedrag ontving, werd daarmee niet de bank voldaan, wél onder andere een zuster B.V. De bank stelde de bestuurder persoonlijk aansprakelijk omdat hij had verhinderd dat de B.V. de belofte aan de bank nakwam. De Hoge Raad honoreerde dat.
Het komt regelmatig voor dat bestuurders van bedrijven in financiële moeilijkheden leveranciers of financiers overreden om hun relatie te continueren. Daarvoor stellen zij dan de ontvangst door de vennootschap van een toekomstige bate in het vooruitzicht. Uit dit arrest van de Hoge Raad blijkt dat bestuurders daarmee voorzichtig moeten zijn. Als zij een bepaalde schuldeiser expliciet toezeggen dat zijn vordering zal worden voldaan door een specifieke bate, lopen zij het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gehouden voor dat bedrag als zij niet bewerkstelligen dat de bate daartoe wordt aangewend. Door zo’n toezegging beperken bestuurders vrijwillig hun beleidsvrijheid ten aanzien van de besteding van zo’n bate.
Met dit arrest is een belangrijke invulling gegeven aan het gezegde 'belofte maakt schuld'.
“Bezint eer gij belooft” dus.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen mr. Willemijn Fick-Nolet
(T: (073)616 11 00, E: w.fick@holla.nl)


