In deze tijd van kredietcrisis zijn ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen aan de orde van de dag. Veelal voert een werkgever een CWI-procedure om zo te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tussen de datum van de opzegging en de daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst ligt, afhankelijk van de lengte van het dienstverband van de werknemer, veelal nog een aantal maanden. Steeds vaker gebruiken werknemers deze periode om een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen, in de hoop dat de kantonrechter een ontbindingsvergoeding toekent. Een vergoeding die de werkgever in beginsel niet hoeft te voldoen indien de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd met toestemming van het CWI en een werknemer - aldus het argument aan werkgeverszijde - maar in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure dient te vorderen.
Heeft een ontbindingsverzoek van een werknemer tijdens de opzegtermijn nu kans van slagen? Recent diende de kantonrechter Zaandam zich over deze vraag te buigen. Hoewel de kantonrechter de stelling van de werkgever onderschreef dat de werknemer enkel uit was op een vergoeding, meende kantonrechter toch dat de werknemer geen aparte (kennelijk onredelijk ontslag) procedure hoefde te starten om deze vergoeding te verkrijgen; de kantonrechter kende aan de werknemer een vergoeding toe op basis van de kantonrechtersformule met een factor C=1.
Hoewel de jurisprudentie laat zien dat niet alle kantonrechters op deze wijze met een dergelijk verzoek van de werknemer omgaan en (er nog steeds) veel kantonrechters (zijn die) de werknemer verwijzen naar de kennelijk onredelijk ontslag procedure, is dit een ontwikkeling waar werkgevers zich bij het voeren van een CWI-procedure bewust van dienen te zijn. In sommige gevallen zal een werknemer sneller een ontslagvergoeding incasseren dan met het volgen van de “goedkope” CWI-procedure de bedoeling van de werkgever is.
Wilt u meer informatie over dit onderwerp?Neem dan contact op met mr. Petra Domevscek, T: 073- 616 1175, E: p.domevscek@holla.nl


