De Hoge Raad heeft in een arrest van 27 juni 2008 (LJN BC7669) de relevante elementen nog eens op een rij gezet.
Casus
De zaak betrof de statutair directeur van SGBO, Onderzoek- en Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten B.V.. Vanwege signalen van onvrede over de wijze van leidinggeven binnen SGBO is een onderzoek ingesteld. De uitkomsten daarvan waren voor betrokkene niet onverdeeld gunstig. Hij meldde zich ziek op 17 april 2003 en de bedrijfsarts adviseerde een time-out van enkele weken. Betrokkene wilde zijn positie ter beschikking stellen, maar de werkgever sprak steun uit voor de werknemer. Bij hernieuwd bezoek aan de bedrijfsarts op 16 juni 2003 rapporteerde deze: “Situatief arbeidsongeschikt totdat er beslissing is gevallen over de toekomst.” De Raad van Commissarissen betuigde nogmaals steun aan betrokkene. Op 23 juni 2003 werd hij door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt bevonden. Betrokkene stuurde echter af op een vertrekregeling. De werkgever zag daartoe geen aanleiding. Een deskundigenoordeel van het UWV bevestigde de arbeidsgeschiktheid per 23 juni 2003. Toch bleef betrokkene weigeren om weer aan het werk te gaan. Hij achtte zich daartoe fysiek en mentaal nog niet in staat. Uiteindelijk is hij op 8 september wegens werkweigering met onmiddellijke ingang ontslagen.
De rechtbank heeft dit ontslag kennelijk onredelijk geacht en een vergoeding van € 175.000 toegekend. Het gerechtshof heeft dit vonnis in hoger beroep vernietigd en alle vorderingen van de ontslagen directeur afgewezen. Het hof was van oordeel dat sprake was van werkweigering, en dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd was. Dan kan het ontslag dus ook niet ‘kennelijk onredelijk’ zijn geweest. De Hoge Raad was het hier mee eens en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad geeft van het begrip “situatieve arbeidsongeschiktheid” de volgende beschrijving:
de situatie waarin “de werknemer zich op grond van (dreigende) psychische of lichamelijke klachten niet in staat acht tot het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid geen medische beperkingen van psychische of fysieke aard kunnen worden vastgesteld, zodat van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte in de zin van art. 7:629 BW geen sprake is.”
De vraag die hieraan wordt vastgeknoopt luidt:
“In hoeverre (kan) in zo’n geval gezegd (…) worden dat de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, als bedoeld in art. 7:628 lid 1 BW.”
M.a.w. wanneer behoudt de werknemer in zo’n geval zijn recht op loon en dreigt voor hem geen ontslag op staande voet wegens werkweigering?
De Hoge Raad geeft het antwoord:
De werknemer moet stellen en aannemelijk maken dat:
- door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te
komen;
- met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten;
- de arbeidsomstandigheden voor hem zodanig waren dat van hem redelijkerwijs niet
gevergd kon worden dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten;
- waarbij de werknemer in beginsel gehouden is alle medewerking te verlenen aan
inspanningen die erop zijn gericht de oorzaken weg te nemen.
Dit soort vragen zal zich meestal voordoen bij een verstoorde arbeidsverhouding. Men dient zich te realiseren dat een verstoring niet per definitie tot een definitieve breuk behoeft te leiden. Het consigne aan de werkgever is, in redelijkheid te streven naar het wegnemen van de oorzaken van de verstoring. De werknemer moet daaraan meewerken.
Daarnaast is het voor beide partijen van belang om objectivering te zoeken voor de vraag of er wel/niet sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of een dreiging van psychische of lichamelijke klachten (bedrijfsarts, andere deskundige).
Daar waar de oorzaak van de verstoring duidelijk aan de werknemer is toe te rekenen liggen de kaarten anders. In dat geval is het de werknemer die er verstandig aan zou doen om te streven naar het wegnemen van de oorzaken. Een onredelijke weigering van de werkgever om daaraan mee te werken kan de kansen weer doen keren.Hoewel zoals steeds “de omstandigheden van het geval” een belangrijke factor vormen, geeft het onderhavige arrest van de Hoge Raad een hanteerbaar richtsnoer.
Voor verdere informatie over dit onderwerp kunt u zich wenden tot mr. P.H. (Peter) Louwers, plouwers@holla.nl of per telefoon 073 – 6161 174.


